zaterdag 28 februari 2015

Onderbouwfeest (column Trouw 25 feb)

Ik geloof dat ik nu achttien jaar op dezelfde school werk, en in al die jaren heb ik niet één keer het Onderbouwfeest bezocht. Afgelopen week was ik bijna gegaan, gewoon om er een keer een stukje over te kunnen schrijven, zodat u misschien kan lachen, maar op het laatste moment ben ik toch afgehaakt. Ik was moe, voelde plotseling een verkoudheid opkomen. Ik had gewoon geen zin. Bovendien heb ik maar één brugklas, dat zijn dertig kinderen die ik kan groeten. Voor al die andere vreemdelingen ben ik een enge kerel die het kennelijk leuk vindt een avond naar dansende kinderen te kijken.

En dat vind ik helemaal niet leuk.

Ik ging dus niet.

Dat hoeft ook niet, want ik weet precies hoe het gaat, zo’n onderbouwfeest. Ik zal het voor u beschrijven. Bij de deur heten de conrectoren alle kinderen welkom met een indringende blik. Jeroen, de lawaaipapegaai van wiskunde, heeft er schik in de blaastest af te nemen. Wie alcohol heeft gedronken komt er niet in. Het apparaat wordt getest op Cora, de brugklascoördinatrice, omdat die altijd twee wijntjes drinkt bij het eten.

Het blazen gaat steekproefsgewijs, maar vooral de derde klassers zijn de klos. Twee jongens worden tegengehouden. ‘Gaan we dan naar jouw huis?’ ‘Ja, me moeder is er toch niet.’ Dina uit drie havo wordt betrapt op verboden drankbezit: ze heeft twee plastic zakjes gevuld met sterke drank in haar truitje gestopt, ter hoogte van haar boezem. De onnatuurlijke grootte daarvan trok de aandacht. Jammer voor Dina.

In de aula staat de muziek precies zo hard als moet. Er is een rookmachine. De DJ is een gymleraar. Hij heet Niek, maar zijn artiestennaam is U-nique. Hij is een fenomeen, althans, bij de brugklasmeisjes. Als smachtende groupies hangen ze om zijn draaitafel heen. Ze maken selfies met Niek op de achtergrond. Wat leuk is aan Niek, is dat hij heel gewoon is gebleven.

De brugklasjongens lopen wat verloren rond. De meesten zijn jaloers op U-nique, en op de oudere jongens, die wél weten hoe je moet flirten met de meisjes. Cool en quasi-ongeïnteresseerd tegen de muur leunen gaat ze ook nog niet goed af. Ze vervelen zich. Op het einde rennen ze gewoon weer achter elkaar aan, rond het wc-blok, en proberen ze zoveel mogelijk ballonnen kapot te trappen.

Een aardrijkskundeleraar danst heel gek, zo gek dat hij een bezienswaardigheid dreigt te worden. Daar heb je het al. Er worden foto’s gemaakt, de foto’s vliegen het internet over.  
Aan het einde van de avond, vóór het alarm erop gaat, controleren de conrectoren alle hoeken van de school nauwgezet op zoenende stelletjes.

Het was een mooi feest, ziet u wel?  Het is net alsof we erbij waren.


vrijdag 13 februari 2015

Sneeuwgevecht (column Trouw 11 feb)

Het sneeuwt, en ik heb mentoruur in het noodlokaal op het achterplein. Noodlokaal en achterplein zijn mooie woorden, net als sneeuw. Het achterplein is wit. Mentoruur (geen mooi woord) is zo’n uur waarin je van alles moet doen. Leerlingbegeleiding en studievaardigheden, dat is de kern, zeggen ze, maar ook pesten, social media, roken, eetgedrag, allemaal dingen waar je het ‘over moet hebben’. Ik ben daar niet zo goed in. 

Het is me ooit opgevallen dat ik in deze lessen het woord ‘belangrijk’ vaak gebruik. Om de dingen van gewicht te voorzien misschien, problemen die anders te licht blijven. Dit is belangrijk, dat is belangrijk. Ik zeg het zo vaak dat het niets meer betekent.

Vandaag moet het gaan over de keuze voor studie en beroep. Dit is dus een, eh, belangrijke les.
Maar niet zo belangrijk als sneeuw.

Sneeuw, daar moet je iets mee, als het maar één keer in de twee jaar valt.
En als je in een noodlokaal zit, met slechts een dun wandje tussen jou en de sneeuw, dan helemaal.

Hup, daar ga ik al, ik sta zelf als eerste buiten. Ik sta buiten in de sneeuw, en binnen zitten die kinderen. Ze lijken het niet te begrijpen. Ik maak een sneeuwbal en gooi die tegen het raam van het noodlokaal.
Er stijgt een dof gerommel op vanuit het lokaal, dat niets meer is dan een kunststof container, een klankkast vol kinderen die opstaan, zich verdringen. Even later spuwt de container een joelende meute uit. Ik krijg geen tijd om te bedenken of het een rampzalig idee was om dit te doen, of juist leuk.

Eerst gooit iedereen op mij. Ik incasseer een stuk of drie ballen, de rest vliegt naast en over. Dan gebeurt er iets moois: men krijgt medelijden. Een groep jongens kiest mijn kant. Ik neem razendsnel in mij op wie dat zijn. Rick, Tom, Billy, Kevin. Belangrijke informatie. Al snel nemen twee groepen leerlingen het tegen elkaar op en ben ik een figurant geworden.

Er zijn twee jongens die op mij blijven mikken. De eerste is William. Hij heeft een onvoldoende voor mijn vak. De tweede is Daan, die is anders altijd uiterst beleefd. Ik probeer te bedenken wat hij tegen mij heeft. Daardoor aarzel ik. Zijn sneeuwbal spat uiteen tegen mijn oor. Hij schreeuwt als een holbewoner en krijgt daarna zelf een bal in zijn gezicht. Daan, denk ik, Daan... wat zou er zijn?

Dan pas zie ik dat in het hoofdgebouw, op de eerste verdieping, leerlingen voor het raam staan te kijken naar ons sneeuwballengevecht. Ik zie ook de misprijzende blik van een collega.
‘Stop!’ roep ik. ‘Einde oefening! Naar binnen’
Het duurt nog even, maar dan trekt iedereen zich terug in het plastic lokaal, vuurrood en zeiknat. De studiekeuze wordt voorlopig uitgesteld.

Het was een belangrijke les.




Open brief aan de organisatie van de J.M.A. Biesheuvelprijs

Beste organisatoren van de J.M.A. Biesheuvelprijs

Gun mij even een moment van uw tijd.
Tijd, ik weet het, tijd is precies datgene wat u niet heeft, want morgen is de prijsuitreiking en u moet nog een hele stapel boeken lezen. Maar ik ben donateur – ach het bedrag is gering, maar dat doet niet ter zake toch? – dus heel graag, heel even wat tijd. Want ik heb een klacht.

Op uw website maakte u vorige week een nieuwe groslijst bekend, een lijst van boeken die in aanmerking komen voor de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ik las dit vanochtend pas. Het komt erop neer dat u zich na e-mails van boze auteurs genoodzaakt voelde uw toelatingsbeleid te verruimen. Het resultaat is dat de groslijst groeide van 11 naar 30 titels.

Van deze wonderbaarlijke vermenigvuldiging moet u ook wel even geschrokken zijn.

Ik vind het doorgaans heel verfrissend als mensen een fout toegeven, het is een belangrijke doch verwaarloosde vorm beschaving. En dan bedoel ik niet die verongelijkte sorry’s of slappeknieën-excuusjes die we zo dikwijls op televisie zien, maar een duidelijk en helder pardon dat wordt gevolgd door een ruimhartig gebaar.

U maakte dat gebaar. En toen ging het mis.

Ik houd er, mag ik hopen, geen al te bekrompen opvattingen op na omtrent wat een verhalenbundel genoemd mag worden. Maar de lijst met dertig titels die nu ‘genomineerd’ zijn maakt op mij een hopeloos rommelige indruk.

Het begon met De Volcontinu van Philip Snijder, als ik me niet vergis. Een uit verhalen opgebouwde roman. Constellaties (Roelof ten Napel) was ook al zo’n grensgeval, die stond al op de lijst, dus hup, Snijder ook. Een terechte beslissing, dunkt mij. Maar toen kreeg u de meute over u heen. ‘En ik dan? Dat is niet eerlijk!’ Ik ken deze situatie uit het onderwijs. Je wilt wegrennen, maar het kan niet, het is te laat...

Het droevige gevolg is dat er nu zelfs een aantal columnbundelingen op de lijst staan. Stukjes uit de krant die op elkaar gelegd zijn zeg maar, zoals die van Johan Goossens en Bert Keijzer. Niets ten nadele van die boeken, maar noemt u dat verhalenbundels? Een mooi boek dat ik op de lijst zag staan is Een zoon van Limburg van Chrétien Breukers. Ik weet niet of u het nog heeft kunnen lezen, het is een fijne verzameling autobiografische schetsen en overdenkingen over literatuur. Maar een verhalenbundel? Zo ja, dan nomineer ik ook Pieter Hoexum nog even, met Een kleine filosofie van het rijtjeshuis.

De meest onbegrijpelijke nominaties echter zijn die van de verzamelbundels Een koffer vol verhalen (Marmer) en Het beste uit 20 jaar Hard Gras, beide geschreven door ‘diverse auteurs’. Ik hoop niet dat ik omstandig moet uitleggen hoe krankzinnig het is om een Prijs toe te moeten kennen aan ‘diverse auteurs’. Als ze allemaal naar de prijsuitreiking komen dan kon u nog wel eens een nieuw probleem tegemoet zien. Dan is er nooit genoeg drank.

U begrijpt natuurlijk dat u na toevoeging van deze columns-met-een-nietje en, eh, verzamelkoffers opnieuw een lijst hebt gekregen die verre van compleet is. Ik wil dringend nog wat titels nomineren, namelijk de complete Tzum-reeks van Uitgeverij Kleine Uil (waaronder het heerlijke Huis van Bewaring van Erik Nieuwenhuis) en Brigadier Kodak (een verzameling in De Muur verschenen wielerverhalen) van Wiep Idzenga. O, en doe mijn eigen boek Schooldagen (Atlas Contact) er dan ook maar op. Waarom zou ik mezelf tekort doen?

En zullen volgend jaar nog wel een paar honderd titels bijkomen, want uitgaven in eigen beheer komen ook in aanmerking, zo stelt u. God, als al die lieve ploeteraars daar maar geen lucht van krijgen. Wie moet dat allemaal lezen?
Geef toe, het is waanzin. De verpletterende werkelijkheid, inderdaad.

Een vorm van waanzin overigens waar Maarten Biesheuvel de humor wel van zal kunnen inzien. Hoe u met zijn allen uw hoofden in een strop hebt gestoken, verdomd, het is eigenlijk wel grappig. Haha. O nee toch niet, want ik ben donateur van uw Prijs. En ik ben een schrijver wiens werk onterecht (naar uw non-criteria) niet op de lijst staat.

U zegt dat u leert van uw fouten. Dat zal volgend jaar ongetwijfeld een fraaie, uitgebalanceerde groslijst, dan wel longlist opleveren.

Ik wens u veel succes met de J.M.A. Biesheuvelprijs, en ik hoop dat de beste* moge winnen.

Met een innige groet,


Gerwin van der Werf


*PS dit is Rob van Essen met Hier wonen ook mensen, een echte en (vergeef mij de uitdrukking) klassieke verhalenbundel

Nagekomen bericht:

Het organisatie heeft razendsnel gereageerd op deze open brief, en stelt dat er sprake is van een misverstand. De gepubliceerde lijst is geen groslijst maar simpelweg een opsomming van alle titels die zijn ingezonden. De lijst is dus niet getoetst aan welk criterium dan ook. Arjen Fortuin: ‘Als iemand het telefoonboek van 1974 had ingezonden, had dat ook op die lijst gestaan.’

De boeken zijn wel door (leden van) de jury gelezen en in overweging genomen voor mededinging.


vrijdag 6 februari 2015

Brugklas (column Trouw 4 feb)

Ik heb een nieuwe brugklas, op dinsdag.
Ik heb al een paar jaar geen brugklas lesgegeven, dus ik ben benieuwd of ik het nog wel kan. We hebben een perioderooster, en daarom kan het gebeuren dat je begin februari nog een nieuwe klas krijgt. Eigenlijk is het wel aardig om halverwege het jaar nog eens opnieuw te kunnen beginnen. Het voelt als een tweede kans, voor ons allemaal. Voor de kinderen omdat ze een nieuw vak krijgen, ze zijn opnieuw van onbesproken gedrag en onbesmet met onvoldoendes. Voor mij omdat ik ten overstaan van hen nog geen blunders heb gemaakt. Ik ben als hun vader vóór hij van zijn voetstuk viel.

Spannend is het ook. Hoeveel lawaai maakt een brugklas ook alweer?

Veel dus. Ze zitten al in het lokaal als ik kom, er speelt een jongen op de piano, er staat een groep omheen, een paar lummels rammen op de drums. Ik kom binnen, kijk om mij heen als een kapitein die een muitende bemanning aantreft. ‘Eén Aaaa’ brul ik. Wie mij zou zien, zou haast sterven van medelijden, of zou niet eens durven kijken. ‘Ga zitten!’ Dat doen ze, maar ze gaan gewoon door met praten. Ging dat vroeger ook zo? Ik leg mijn wijsvinger tegen mijn lippen. Er gebeurt niets. Praten, praten, allemachtig, wat kunnen die rotzakjes praten.

‘Hela!’ roep ik dommig, alsof ik toe sta te kijken hoe mijn fiets gejat wordt.

Ze stoten elkaar aan, kennelijk toch wel nieuwsgierig naar de les. Het is stil! Nu moet ik mijn regels stellen. Niet aarzelen. Duidelijk, dwingend en aardig genoeg om te zorgen dat ze knikken als ik vraag of ze het met die regels eens zijn. Regels over stil worden, luisteren naar elkaar, omgaan met spullen. Na tien minuten zullen ze de regels zijn vergeten. Dan maken ze weer teveel herrie. Dan zal ik ze alles laten opruimen, keyboards, gitaren, alles. Ik zal erg streng kijken en hen aan de regels herinneren terwijl ze met de armen over elkaar zitten. Als het lukt, gaan we daarna een gezellige tijd tegemoet, als het niet lukt, of half, dan wordt het een gevecht.
Dit is het echte, ambachtelijke leraarswerk.

Als de bel gaat is al het bovenstaande gebeurd, en meer. Ze hebben een lesje drummen-op-de-tafel gehad, gezongen, gespeeld. En het klonk goed. Na afloop vraagt de jonge pianist netjes of hij nog even mag spelen. Dat mag. De lummels vragen of ze nog even mogen drummen. Dat mag niet. Ik zeg dat ze eerst moeten oefenen, thuis, met twee potloden.
‘Wat een leuke les was dit,’ zegt een meisje in het weggaan.
Ik zeg haar gedag. Ik loop naar de koffiekamer, met de lichte tred van een artiest na een geslaagd optreden.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010