donderdag 18 februari 2010

“We zouden naar Parijs, maar we strandden in Kruishoutem”

De winnaar heet Jos Jansen, hij woont in Apeldoorn, is 49 jaar en kan verschrikkelijk goed schrijven. De Brandende Pen 2010: de wedstrijd die ik na Turing alleen maar kon verliezen. Geen nood. Jos zijn verhaal is gelukkig beter dan het mijne, zodat ik niet hoef te stikken in heilige verongelijktheid (‘ze gunden het mij niet, nóg een prijs’). Integendeel, het voelt wel vertrouwd, dat verliezen, alsof je na een paar te dure hotelvakanties terugkeert naar de immer verregende camping in de Achterhoek waar je vroeger altijd de zomer uitzat. Hèhè, lekker, de regen tikt op het tentdoek, je doet een plas in een steelpannetje, je eet zes Bastognekoeken. Maar helemaal hetzelfde wil het niet worden...

Koop Lava 16.1, er staan jaloersmakend goede verhalen in. Mijn verhaal Strovuur (“zo belandden wij in het Vlaamse dorp Kruishoutem”) mag er best zijn, maar Ockhams scheermes knijpt meteen je keel dicht en laat je pas los na een kleine tweeduizend woorden.

De uitreiking zelf was lekker rommelig en knullig. We dronken wat, maakten kennis ("ben jij die van die gedichtenprijs?"), dronken nog wat, vroegen "waar blijft Arie Storm", dronken meer, Arie stormde (sorry) binnen, haalde een tweemaal gevouwen A4'tje uit zijn binnenzak, vroeg of wij droevige mensen waren (daar dronken wij op), zei dat de Turingprijswinnaar ditmaal niet had gewonnen al was zijn verhaal wederom hoog geëindigd (waarvan akte), maakte de terechte winnaar bekend. De winnaar nam de Pen in ontvangst, wij klapten en wij dronken verder. Na afloop hadden Jos en ik al het bier opgedronken. Ik schudde Arie Storm de hand, zei dat hij mijn boek maar moest recenseren, hij zei "de meesten die dat vragen krijgen daar spijt van", ik zei haha, had spijt, maar er was niets meer te drinken. Nog even koppelbaas uitgehangen, waarbij ik uit het oog verloor of ik het belang van de winnaar of dat van mijn uitgeverij diende.

Morgen hard aan de slag. Het persklaargemaakte manuscript uitvlooien. Alle komma’s goed zetten, de laatste wijzigingen, de laatste twijfel (dat is de ergste). Dan is er over twee weken een drukproef. Nog een paar bergen over, op naar Parijs.


donderdag 11 februari 2010

naar Oegstgeest

Ik fietste van Leiden naar Oegstgeest. Ik bevond mij tussen Kraekstaete en de spoortunnel. Een gure plek. De tegenwind kroop in mijn broekspijpen. Verder waren er geen bijzonderheden, ik fiets daar zowat dagelijks. Bij het Centraal Station maakt de wind altijd een hoop heibel, alsof ‘ie net als de stadsbussen van daaruit een dienstregeling door de stad begint. Vanochtend was het wel heel bar, van alle kanten – behalve van achteren - trok de wind aan mijn muts, met mijn diepste frons hield ik 'm op mijn kop. Twee meisjes zweefden mij op hun meisjesfietsen tegemoet. Voor hen was de ochtend licht en gemakkelijk.

Nog voor zij mij bereikt hadden ving ik een zin op, hij zeilde in mijn gezicht, ik kon er weinig aan doen.

“Naar welke McDonalds zullen we gaan?”

Het antwoord van het andere kind werd de stad in geblazen door de wind, ver buiten mijn bereik, ik was alweer vijf pedaalslagen richting Oegstgeest. Zou het andere meisje misschien voorstellen “die in Moskou”, of zeggen “ik vind die in Teheran toch het chillst”? Van dergelijke uitzinnige keuzemogelijkheden kan ik heel opgewonden raken. Ik vermoed echter dat er een beperking in de vraag besloten lag: de Beestenmarkt of Bakkersteeg, want meer keus hebben wij niet in Leiden, als om de befaamde natte hamburger gaat. Gemakshalve vergeet ik het filiaal bij het transferium langs de A44, dat is meer een plek voor ontvoering en dubbele moord, niets voor fietsende meisjes.

“Wat ga je nu doen? Ga je nou gedichten schrijven?” vraagt men mij de laatste tijd nog wel eens. Wat een vraag. Ik weet het niet, ik denk het niet, misschien wel, of liever verhalen, ik eh... het lijkt erop dat ik de keus heb. Ik kan naar de Beestenmarkt of de Bakkersteeg. Misschien wel verder weg, A44, Moskou, Beijing, Emiraten.

Maar voorlopig ga ik naar Oegstgeest. Daar is overigens geen McDonalds.

zaterdag 6 februari 2010

Er staat niet wat er staat

Ik denk dat dit waar is: het mysterie van de dichter is groter dan het mysterie van de (proza)schrijver. Nog nimmer vroeg iemand mij naar de Betekenis van een verhaal, goddank. De afgelopen week ben ik minstens twintig, dertig keer bevraagd over de Diepere Betekenis van mijn gedicht. Ik vroeg mij af of dat was omdat het woord ‘pik’ erin voorkomt. Het lijkt net of de mensen bang zijn dat hen iets ontgaat, dat het over dampende seks gaat en dat uitgerekend zij het niet zien. Ik denk dat dit ook waar is: als het over seks gaat wil niemand iets missen. Helaas, “Misbruik” gaat niet over seks, van je langzalzeleven niet. Misschien gaat het over angst, verwarring, gekte, hoop. Maar ik moet er niet aan denken dat ik dat zou moeten uitleggen, ik zou verzuipen in die grote woorden.

Verhalen hebben geen betekenis nodig, het verhaal is de betekenis zelf. Ik denk dat lezers dat aanvoelen. Ik denk dat ik het daarom zo leuk vind ze te schrijven. Ik heb een nieuwtje: ook gedichten hebben geen uitleg nodig, het gedicht is de betekenis zelf. Als je dat niet ziet, heb je pech. Of de dichter heeft pech. Of het is een slechte dichter. Daar heb ik geen verstand van, wilde ik zeggen. Maar ik kan niet eeuwig de dilettant uithangen, het schuchtere joch met de kabeltrui. “Jij hebt toch dat gedicht geschreven” vroeg de dame van de schmink, “dan ben je dus een dichter.” Noblesse oblige, en als het geen noblesse is, dan zijn het nog altijd 10.000 ballen die ik zal moeten verantwoorden. Vijfhonderd euri per regel, sodeju, er zijn vast dichters die mij voor minder dood zouden willen schieten.

Die visagist van De Wereld Draait Door bestierde ook een koffietent, vertelde ze. Op een dag gaf een vaste klant haar een gedicht cadeau. Geen liefdesprul, een gedicht over de koffietent. Tenminste, zo begreep ze het. Eigenlijk begreep ze er niet veel van, zei ze, maar het was mooi, en het voelde alsof het over haar ging, en over die koffietent.

Als ik niet zo onder de plamuur had gezeten, had ik haar zeker drie zoenen gegeven. Afschminken knul. Er is geen mysterie, er is alleen een gedicht. En een spiegel.

Het was een malle week.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010