vrijdag 31 december 2010

Het afsteken van astronauten

De jongen die ik mijn beste vriend noemde zei dat we astronauten gingen kopen. Veel astronauten. Twee sloffen per persoon. Tegenspraak was niet mogelijk, want ik diende te begrijpen dat er iets op het spel stond: we waren elf en het werd tijd dat wij in de buurt wat aanzien verwierven. Op oudejaarsdag werden de kaarten altijd opnieuw geschud, met behulp van astronauten. De jongens boven de twaalf die wat te betekenen wilden hebben sloten zich aan bij de meedogenloze melkbus-kanonniers op de boerenveldjes, maar bij het carbidschieten werden wij nog niet geduld.

Ik weet niet meer wat die twee sloffen mij gekost hebben, noch waar ik het geld vandaan haalde, ik weet wel dat een slof astronauten betekende dat je een lange, koude dag tot diep in het donker door de straten moest schuimen, om het allemaal de lucht in te krijgen. Om maar te zwijgen van twee sloffen. Nee, het verwerven van aanzien in de buurt was een hard gelag, je deed het niet voor je lol. Natuurlijk had alles en iedereen onder de twaalf jaar na een uur of wat pokkenherrie wel in de gaten dat wij er die dag toe deden. Die autoriteit schiep verplichtingen. Met de minuut werden wij roekelozer. Wij wachtten tot het lontje helemaal was opgebrand, precies tot het moment dat de vonk in het rotje verdween, om het projectiel dan pas weg te gooien, zodat-ie vlak boven je (of iemand anders) afging. We kenden geen genade, knallen moest het, op iedere straathoek. Ons mededogen beperkte zich tot de grootste nooddruftigen: dieren en peuters – want wij voelden dat bij macht verantwoordelijkheid hoorde, doch niet te veel. Volwassenen keken verstoord, jongere kinderen gaapten ons aan. Wij zagen hun angst voor bewondering aan en vergaten onze koude handen.

Die middag ontplofte er een astronaut in mijn hand. Ik was zo nonchalant geworden dat ik was vergeten dat ik het ding een paar seconden eerder nota bene zelf had aangestoken. Poef! Even leek het of mijn vingers weg waren, spoorloos verdwenen. Toen kwam het gevoel terug, alsof ik mijn vingers terugvond in een bankschroef. Ik stak mijn hand in mijn mond, hij smaakte naar kruit, ik duwde hem tussen mijn benen, daarna in mijn broek, ik wist niet waar ik er mee naartoe moest. Ik wilde geen gratis medelijden, ik snauwde de jongen die ik mijn beste vriend noemde af omdat hij vroeg of het ging. De pijn maakte mij misselijk, maar ook glashelder. Het was alsof ik eindelijk, na zo’n honderdtachtig kanonslagen, mijn doel had bereikt. Ik liet de tas met vuurwerk achter en liep met de gekwetste hand onder mijn oksel weg bij de jongen die ik mijn beste vriend noemde.

Indien er een hoger streven achter al die lawaaimakerij zat, dan was het misschien dit: de wens mijzelf te raken. Ik was niet op zoek naar aanzien, leek het, maar naar een hengst voor mijn harses. Het kwam er op aan net genoeg pijn te voelen om er een diep inzicht achter te durven vermoeden. Ik had mijzelf geraakt. Met een lullige astronaut weliswaar, maar toch. Ik nam mij voor dat vaker te doen, met andere middelen. Een paar jaar later kwam muziek daar het eerst voor in aanmerking.

Hoe ik de jongen die ik daar achterliet een jaar later noemde weet ik niet meer. Misschien wel bij zijn naam. Hij heeft mij nooit meer genoemd, voor zover ik mij kan herinneren.

donderdag 30 december 2010

Straf

Het kabinet-Rutte deelt weer straf uit. Ze zijn goed in straf bedenken. Er zijn mensen die daar echt plezier in hebben, het is voor hen een prettige uitlaatklep, straf verzinnen, de helft van de ergernis is daarmee al bedwongen. De landen die dwarsliggen bij het terugsturen van uitgeprocedeerde asielzoekers zullen minder ontwikkelingsgeld krijgen. Oei, daar zullen ze van ophoren. Het is bijna vermakelijk, als het niet zo treurig was. Rutte had ook strafregels kunnen geven, of verordonneren dat de presidenten van die nare landen zich een week lang om acht uur komen melden bij hem in het Torentje, met een briefje van hun ouders. “Als het werkt dan werkt het” hoor ik hem zeggen.

Natuurlijk gaat het er niet om of een straf werkt, maar of een straf bijdraagt aan de oplossing van het probleem. Straf maakt de problemen meestal groter, als je verder niets doet. Moet ik dat uitleggen? Gert Leers lijkt al wat langer op een boze papa die zoonlief (tweede leg) –die niet wil deugen en wéér pas in de ochtend terugkeert van een comazuipfeest- toebijt: “jij krijgt twee maanden geen zakgeld meer en nu opgehoepeld”. Zoon: “ik krijg al jaren geen zakgeld meer van jou, ik verdien mijn eigen geld sukkel, maar dat wist je zeker niet want je bent er nooit.”

Ik ben benieuwd welke landen het eigenlijk zijn, die dwarsliggers waar wij kennelijk een ontwikkelingsrelatie mee hebben. Dat wordt er nooit bij gezegd. Jemen? Burkina Fasso? Veel kunnen het er niet zijn. Het lijkt er meer op dat Rutte de rol speelt van de gespannen docent die ten overstaan van de hele klas uitroept: “en nu gaat er niemand meer naar de WC, en de eerste die zijn mond open doet vliegt eruit!” Heerlijk, want daarna kan je wachten op het moment dat hij hopeloos verstrikt raakt in zijn eigen strafmaatregel. De eerste die de mond opendoet is namelijk dat brave meisje met een gebrekkig werkende sluitspier.

vrijdag 24 december 2010

De Grote Hongaarse Kerstmis Partiturensmokkel

Boedapest 1989 staat in mijn herinnering overeind als mijn krankzinnigste Kerst ooit. Samen met goede vriend Petrus T. was ik de week voor Kerstmis naar Boedapest afgereisd om een zwendel op poten te zetten die de geschiedenis in is gegaan als de Grootste Partiturensmokkel Aller Tijden.

Boedapest was in rep en roer vanwege de revolutie in buurland Roemenië. Ceaucescu stond nog overeind, men hoopte op zijn val, men vreesde een keiharde ingreep van zijn leger, waarbij de miljoenen etnische Hongaren in het westen het zouden moeten ontgelden, men vreesde oorlog en zag de bommenwerpers al boven de stad hangen. Hongaren zijn geen vrolijke mensen, ontdekten wij.

In dit decor van nerveus patriottisme waren wij beschäftigt met zoiets verwerpelijks als smokkel. En niet van sigaretten of wapens, nee, van keiharde waar: muziekpartituren! Het idee was verpletterend in zijn eenvoud: in Boedapest drukten de staatsuitgeverijen muziek van Beethoven, Mozart, Brahms, en de plaatselijke helden Liszt en Bartók met enorme staatssubsidies en in grote hoeveelheden. In staatswinkels werden ze verkocht voor een knaak. In Nederland kostten die boeken minimaal het tienvoudige. Wij namen onder Nederlandse studenten muziekwetenschap en op het conservatorium de bestelling op. Wij boden enorme kortingen, want wij vroegen slechts het vijfvoudige van de Hongaarse prijzen (wat wij uiteraard niet in de folder hadden gezet).

Na een week klaplopen, in badhuizen liggen, op straat geld wisselen, in grand-café New York hangen, en tussendoor in etappes (om ‘geen argwaan te wekken’) de muziekwinkels leegkopen, hesen wij uiteindelijk vier enorme sporttassen vol bladmuziek de trein in. Bloednerveus knikten wij naar de douanemensen. Wij hadden Deutsche Marken en Marlboro sigaretten ingeval zij de tassen wilden controleren, want wij waren net twintig en wij wisten hoe je die dingen elegant oploste. Ondertussen drukten wij muzieknoten in de broek.

Een maand of twee later begonnen de Beethoven-banden die ik bewaarde ‘voor eigen gebruik’ (je kunt ze echt voor van alles gebruiken) geel te worden en uit elkaar te vallen. Ik heb ze nog steeds. Ze liggen in een klimaatkast. Als ik ze aanraak verkruimelen ze. Ik zal ze voor altijd bewaren, ter herinnering aan die krankzinnige Kerstavond in Boedapest, waarop Petrus T en ik koud en ellendig door de straten schuimden, omdat er in geen enkele herberg plaats was, en in onze kamer in het flatje van een seniele hospita ook niet: de partituren lagen daar tot het plafond opgestapeld. Die vervloekte boeken waren toen al begonnen ons te straffen. En ja, wij hoorden engelen zingen. Er was iets met meisjes, inderdaad, ach laat maar.

De prijzen voor bladmuziek liggen in Hongarije al jaren op West-Europees niveau. De partiturensmokkel is volledig ingestort, er is geen droog brood meer in te verdienen. Een gevoelige slag voor de misdaadsyndicaten. Velen hebben nadien hun toevlucht moeten nemen tot de drugs- en vrouwenhandel.

Ik heb mij nooit meer in zaken begeven. Ik ben er niet voor in de wieg gelegd. Ik haat alle soorten van commerciële activiteit. Maar als u ten overstaan van mij, ter wille van de beschaafde conversatie, en bovendien volkomen terecht uw beklag doet over de misdadige uitverkoop van het Kerstfeest, dan zal ik zwijgen. Ik zal na enige tijd vragen wat u in de koffie heeft. Ik verspeelde mijn recht van spreken op sublieme wijze in Boedapest, Kerst 1989.

zaterdag 18 december 2010

SCHOP ZE TOT ZE EEN BOEK GAAN LEZEN

“Kunst is wat mensen mooi vinden” stond er gisterochtend in de krant. Ik las het om 7:15, zittend aan de ontbijttafel, en wilde niets liever dan op handen en voeten terug naar mijn bed kruipen. De uitspraak was afkomstig van VVD-kamerlid Bart de Liefde, die – let goed op - eerder deze week één van de opmerkelijkste jonge talenten in het parlement werd genoemd. Razend benieuwd ben ik naar zijn talenten, maar zolang ik ze niet ken blijf ik sceptisch. We zijn er uit, hoera! Wat is kunst? “Nou, kunst is wat ik mooi vind, zoals de kerstverhalen uit de Margriet, de muziek van Andre Rieu, de watervallen van Coo, de witte Bentley op onze trouwfoto, de motorcross op het Hengelse zand (de vrouwen en de kinders langs de kant).”

Kunst is wat mensen mooi vinden. Is het nou afgelopen! Is het nou eindelijk eens klaar met de debilisering van het discours! Zitten er tussen die “jonge talenten” nog types die wel eens een fucking boek gelezen hebben?

Bart de Liefde heeft allerlei ideeën, die alle voort lijken te komen uit het Gapende Niets dat achter zijn definitie van kunst zit. Hij wil alleen nog geld geven aan instellingen die in staat zijn veel bezoekers te trekken. Tja, het mag waanzin zijn, er zit wel lijn in. Dit kabinet blijft immers ook pal achter de hypotheekrenteaftrek staan, het wil dolgraag geld blijven geven aan mensen die genoeg verdienen om een huis te kunnen kopen. Of we wel wisten dat het budget voor cultuur sinds 1970 met vierhonderd procent is gestegen! Nee Bart, dat wisten we niet. Maar nu wel! Wij hebben meteen even verder gegoogeld. Wij weten nu ook dat de prijs voor een brood met vijfhonderd procent is gestegen sinds 1970, en de uitgaven voor onderwijs met ruim negenhonderd procent. Ga je die misstanden ook snel aan de kaak stellen Bart?

Weet je Bart, kunst is datgene dat onze aandacht belangrijke doch verwaarloosde richtingen uitstuurt. Dat zal het blijven, daar doe jij niets aan, want dat is waar de mensen naar zoeken, waar iedereen die kunst maakt naar streeft: een hoogstpersoonlijke verbeelding van de werkelijkheid, waarin wij kunnen zien wat anders verborgen blijft. Dat krijg je niet kapot, al schrap je alle subsidies. Dit is mij tot grote troost. Er is iets anders dat mij dwars zit. Dat is dat jullie met zijn allen, grote baas Halbe Zijlstra voorop, onuitstaanbare leeghoofden zijn die onuitstaanbare leeghoofdige dingen zeggen.

Kijk, ik wordt niet vaak boos. Ik ben bijwijle wat somber, defaitistisch, een tikje zwartgallig. Meestal verdrink ik iedere woede, iedere wanhoop, iedere angst, in de zure wijn der ironie. Maar nu ben ik woest en ken ik geen ironie meer! Verwoest ons culturele klimaat, doe het als het echt nodig is, maar weet tenminste waar je over praat. Wees belezen, intelligent, nederig. Pisnijdig word ik van al die dombo’s die ze op Cultuur hebben gezet. Hou je vast, de eerste generatie leeghoofden die ons doodhervormde onderwijssysteem heeft afgeleverd, krijgt het nu voor het zeggen. Circusclowns die een leeuwenact opvoeren. Kunst is wat mensen mooi vinden, ‘tuurlijk joh, en humor is waar mensen om moeten lachen. Oliebol is wat mensen lekker vinden, automatenkoffie is wat mensen graag drinken, neuken wat ze het liefst doen, behalve als ze daar net gereed mee zijn, of erg nodig moeten plassen. Ziedend ben ik, ik ga er zelfs van in kapitalen spreken, met dank aan Louis Paul Boon:

SCHOP DIE BARBAREN, SCHOP ZE TOT ZE EEN BOEK GAAN LEZEN EN DEEMOEDIG WORDEN OMDAT HEN IS GEOPENBAARD DAT ZIJ NIETS WETEN EN NIETS BEGRIJPEN, NIETS!

maandag 13 december 2010

Cake voor Ethiopio

De laatste dag voor de Kerstvakantie is het "Actie Paardenkracht" op mijn school. Ik kijk er weer reikhalzend naar uit. De ganse schoolpopulatie doet klusjes of verkoopt rotzooi om geld in te zamelen voor projecten in India, Malawi of Ethiopië van de stichting Edukans. Een of twee leerlingen reizen daar ook daadwerkelijk naartoe om te kijken hoe het geld wordt besteed. Kritiek op dit punt (“betalen we hun reisje dan?”) pareer ik op traditionele wijze (“Vindt u één keer kijken veel? Als Amerika ergens een oorlog begint, gaan ze soms zelfs wel drie keer kijken”) zoals alles een beetje geïnstitutionaliseerd is rond deze Actie. Vast onderdeel is bijvoorbeeld het grote Open Podium benefietconcert dat ik als muziekdocent organiseer, ieder jaar levert dat meer dan duizend euro op.

Maar in de eerste plaats denkt iedere docent bij de Actie Paardenkracht aan zelfgebakken narigheid, ziekmakende hoeveelheden muffins, koekjes, zoete broodjes en andere rommel die wij allemaal in bulkhoeveelheden opkopen omdat ze door leerlingen gebakken zijn, en omdat de schade groot is als ze het allemaal weer mee naar huis moeten nemen, want dan kan Ethiopië het volgend jaar wel schudden. Dan wordt er in Oegstgeest en omstreken niet meer gebakken.

Een jaar of wat geleden kwam er een jongen met een in keurige plakjes gesneden cake de docentenkamer binnenvallen. Hij bood de plakjes te koop aan, voor slechts 1 euro per stuk. “Zelfgebakken” zei hij, “voor Ethiopio”. Het was zo’n jongen die ook altijd zijn huiswerk zelf gemaakt heeft ingeval je er naar vraagt. Het was een prachtige fabriekscake met van die regelmatige ribbeltjes langs de zijkanten. “Ik ga nu met jou mee naar huis” zei Cees, mijn collega Drama, “en dan bak jij precies zo’n cake voor mij, en als dat je lukt krijg jij van mij honderd euro voor Ethiopio!”

Docenten zelf blijven niet ongeschonden. Er zijn collega’s met blauw haar geëindigd, kaalgeschoren, tot nieuwjaarsduiken gedwongen, in clownkostuums gehesen. Ik moet zelf weinig hebben van die fratsen, ik vraag mij altijd af wiens populariteit daarmee gediend is. Met blauw haar lopen voor Ethiopio is meer iets voor de Bono’s van deze wereld. Wel zong ik een aantal jaren met een ijzersterk vocaal kwartet vierstemmig Christmas Carols in de Haarlemmerstraat, op koopavond, voor de warmeworstenkraam van de Hema. Dat ging jarenlang naar tevredenheid van ons, de Hema en Ethiopië. Echter, het jaar dat wij een opbrengst van min-drie euro noteerden (we begonnen met vijf euro startgeld, eindigden met twee), na talloze bedreigingen geïncasseerd te hebben (‘homo’ + een dodelijke ziekte naar keuze) zijn wij er definitief mee gestopt. Weldoeners wilden wij zijn, geen martelaren.

Later bleek dat een eindje verderop, ter hoogte van het Kruidvat, een paar meisjes van onze school hadden gestaan. Ze hadden leuke rode mutsjes op, zongen “Jingle bells” en het door mij verfoeide “Rudolph the red-nosed reindeer”, eenstemmig, en noteerden een opbrengst van 65 euro schoon aan de haak.

Vorig jaar was de hal vakkundig omgetoverd tot een knusse espressobar, door een stel doortastende bovenbouwleerlingen. Samen met Cees vertoefde ik daar de hele ochtend, dronk veertien espressootjes voor Malawi, tegen een prijs waarvoor je er nog geen vijf koopt bij de Starbucks, kocht vierentwintig cakejes die ik geen van alle opat, bestelde twee peperdure kerstballen met de naam van mijn kinderen erop, terwijl acht bruggers mijn auto wasten tegen een woekerprijs. Wij waren gelukkig omdat het Actie Paardenkracht was, en we niet hoefden les te geven. Wij hadden ons in Gorillapakken kunnen hijsen en met accordeonbegeleiding hits van Rick Astley kunnen zingen voor de Blokker teneinde 'Ethiopio' een hart onder de riem te steken, maar wij wisten dat je die dingen aan de meisjes moest overlaten, leuke meisjes met rode mutsjes. Op Actiedag zijn wij, docenten, live-support-systems van onze portemonnee, anders niet. En dat is goed zo. Ik kan niet wachten.

vrijdag 10 december 2010

WikiLeaks: The Dark Knight

Het is even schrikken. Het lijkt alsof er van de een op de andere dag een generatie is opgestaan die weer idealen heeft, en die bereid is ervoor te vechten. Het lijkt of deze generatie geduldig heeft gewacht tot de tijd rijp was, totdat hen een motief in de schoot geworpen werd om in opstand te komen. Enter WikiLeaks.

Opeens valt alles op zijn plek: er is een groot Kwaad, een in het nauw gedreven maar onkreukbare Held, en een Conflict dat een nieuwe, internetwijze generatie, in het hart raakt. Het Kwaad manifesteert zich natuurlijk in de Amerikaanse overheid, de Held is Julian Assange en het Conflict draait om Internet, het domein van deze jongeren, hun speelweide, hun toekomst. Het is al wat zij hebben. Landsgrenzen en oude politieke machten zeggen hen niets. Zij zitten in hun eigen wereld, en stellen daar hun eigen regels. Nu blijkt dat de Staat die wereld wel heel nadrukkelijk binnendringt, is de beer los. Met een paar grote statements erbij krijgt het conflict razendsnel focus: onze Vrijheid is in het geding.

Ze gaan niet de straat op, ze schuimen over het web. Ze schreeuwen geen leuzen, ze typen ze in een computer. Ze gooien geen stenen door ruiten, ze kopiëren codes en leggen websites van slippendragers van de Vijand plat.

De meeste van hen zijn piepjong, hun voortrekkers zijn twintigers, onnavolgbare whizzkids, de talkshows zijn gek op ze, want ze etaleren een aanstekelijk élan waar die belegen oldboys-kliek volledig bij verschrompelt, die jonge mannen met een blauwe gloed op hun gelaat omdat hen wordt toegestaan een gesprek te voeren terwijl ze met een schuin oog naar hun laptop kijken. Ze roepen dat de Amerika deze strijd gaat verliezen en dat de wereld er over een paar weken al anders uit zal zien. Hun wereld, wel te verstaan, Internet dus.

Ze maken op zijn minst één lelijke vergissing. Julian Assange is geen held. Assange’s drijfveren zijn in nevelen gehuld, maar verraden de houding van een cynicus. De cynicus weet dat de wereld slecht is en de mensen doortrapt, hij weet dat niets is wat het is, en hij ziet het als zijn taak ons dat op superieure toon en met grote gebaren te onthullen. De cynicus kan niet zonder het schandaal. Dat is zijn wraak op de wereld. Achter die show gaapt het grote Niets. Assange is een superieure klikker, verder heeft hij ons niets te bieden. Hij mag uitgroeien tot een martelaar, een held of een groot leider is hij niet.

Ook op die authentiek klinkende roep vrijheid is wel wat af te dingen. Over wat voor vrijheid hebben ze het? Over de kinderlijke drang om ons onverantwoordelijk, naar eigen luim te kunnen gedragen? Bevechten zij het soort vrijheid dat ons in staat stelt de meest krankzinnige beledigingen op het net te kwakken, de meest stupide poeplogica de wereld in te helpen, de vrijheid die ons slaven maakt van onze impulsen, en die ons en iedereen om ons heen ellendig maakt en eenzaam?

Voor er een antwoord op die vraag komt zullen onze vrijheidsstrijders doorgaan met het afdraaien van hun revolutie. In hun kielzog noteren de eerste digitale relschoppers hun eerste criminele successen. Allen voeren zij de vlag van de bittere zwarte ridder Assange.

Het is onbegrijpelijk dat Amerika niet aandringt op onmiddellijke publicatie van alle WikiLeaks cables, zodat dit uit de hand gelopen boosheidsfeestje ten einde komt.

vrijdag 3 december 2010

Héérlijke mensen

Ik heb fijne overburen. Heerlijke mensen. Daarmee bedoel ik niet dat ze op afroep voor mij klaarstaan met koffie en startkabels als mijn vermolmde motorfiets niet wil lopen, dat we al jaren samen probleemloos een abonnement hebben op de Viva en de AutoWeek, elkaar heggenscharen en stopverf uitlenen, gezellig met elkaar eten, drinken en vreemdgaan zonder dat iemand daar problemen over maakt, dat mijn kinderen ‘oom’ en ‘tante’ tegen ze zeggen, zelfs niet dat overbuurman traditioneel op de voordeur beukt op pakjesavond om de zak te brengen (en ik bij hem). Niets van dat alles. Ik heb gewoon fijne overburen om naar te kijken. Ze steken goed bij mij af. Anders niet.

In de zomer speelt hun gezinsleven zich op het trottoir af, vijf meter van mijn venster. Hun achtertuin ligt namelijk op het westen, geen straaltje zon komt daar ooit in, een paradijs voor naaktslakken en pissebedden. Maar daar hoor je ze nooit over klagen, zo zijn ze niet, ze vinden het heerlijk, zo met hun hebben en houden op de stoep. “Echt een mediterraan gevoel.” Wit wijntje erbij, kinderen zoet aan het stoepkrijten, nooit valt er een onvertogen woord. Een magnifiek gezicht. Ik heb de tv naar zolder gedaan.

In hun woonkamer – duidelijk zichtbaar vanaf de straat – hangt een reproductie van Picasso’s Guernica. Dat vertelt ons: hier wonen geen mensen die gewoontjes van kunst houden, hier wonen mensen die van Kunst houden en zich Het Wereldleed aantrekken. Soms huilen ze er om. Niet lang, precies genoeg. Maar dat beeld ik mij misschien in. Bij mij hing ook lange tijd een Picasso boven de bank. Ik had het zelf vervalst. Het werk was getiteld Joie de vivre en er was een narrige geit met een erectie en een naakte vrouw met reusachtige blauwe borsten op afgebeeld. Ik heb het weggehaald. Nu hangt er een foto van een vreugdeloos grijnzende orang-oetan.

In hun vensterbank staan vier identieke retro-stormlampen, echt heel geestig en smaakvol, tussen de lampen in trouwfoto’s van de wederzijdse ouders. Ze hebben geen aparte, nimmer overlappende bezoektijden voor hen, integendeel, die ouderparen kunnen uitstekend met elkaar opschieten. Ik kan het allemaal het goed zien vanachter mijn vleesetende plant.

De overbuurvrouw is mooi, dat spreekt vanzelf. Als ze vroeger bij mij in de klas gezeten zou hebben, dan zou ik, dan zou ik... dan zou ik weer eens helemaal niets. Nu is ze zo vlekkeloos, onbezoedeld, moeder en maagd. Haar frisse en nog lang niet grijze of kale man is advocaat. In de zomer staat zijn sportwagen uit 1970 voor de deur, in een kunststof beschermhoes. Soms valt hun kindje ertegenaan, dan kust hij het voorhoofd, maakt er meteen een lief spelletje van, iets met kiekeboe, niet dat brute kleuterwerpen dat wij vroeger deden. De overburen spreken elkaar koddig aan met mama en papa als de kinderen erbij zijn, en ik denk over tien jaar ook waar de kinderen niet bij zijn. Ze zijn ook nooit wantjes, mutsjes, sjaaltjes, laarsjes en regenjasjes kwijt, en waren ze het toch, dan zouden zij niet gaan schreeuwen en van hartstikke kwaadheid alles overhoop smijten. Ze hebben geen NEE-NEE sticker, want dat vinden ze zo zuur en ongastvrij staan. Ik heb wel eens met de gedachte gespeeld een gruizig seksboekje door hun JA-JA brievenbus te gooien, maar komaan, er zijn grenzen.

Wat ook zo heerlijk is – en dan houd ik er mee op – dat ze zo lichtvaardig met etenstijden en bedtijden omgaan. Zij laten zich niet knechten door welk dagritme dan ook, nee, de dag beweegt soepel met hen mee, op die cruciale momenten waarop ik er altijd achteraan loop te harken. Zaterdagochtend, o zoete zaligheid, dan stijgen zij boven zichzelf uit. Het is nóg fijner, warmer en knusser, in pyjama eten de kindjes hun ontbijt dat tot de laatste gezonde vezel wordt vermalen. Pap en mam drinken koffie in zakkerige sportkleding die hen geweldig staat. Zaterdag, godlof, dan wordt mij een etmaal lang gegund toe te zien hoe het leven geleefd dient te worden. Daar zit ik, zuchtjes van bewondering slakend achter de verwarming, met een kopje azijnthee schuilend achter het troebele water van de kom met dode vissen. Heerlijke mensen.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010