zondag 25 oktober 2009

Twee Kanaries en een Vlieger

Arne loopt met de vlieger de school uit. Dat bevalt mij al niet, ik weet dat ik moet zeggen dat hij ook van mij is, de vlieger. Anders neemt hij hem gewoon mee naar huis, zonder iets te zeggen. We hebben de vlieger samen gemaakt, Arne en ik, met stokjes die goed konden buigen en knalgeel en groen vliegerpapier. De meester had laten zien hoe het moest, en wij deden het na.

Dat is al een week geleden. Vandaag hebben wij hem uitgeprobeerd. Hij deed het niet. Er is niet genoeg wind, zei Arne, en de meester zei het toen ook maar, want er was niet één vlieger die de lucht in wilde. Nu mogen ze mee naar huis.

Dat is het probleem.

“We kunnen er om loten” zeg ik, “wie ‘m mag hebben”.

“Hè nee” zegt Arne, “als ik dan win vind ik het zielig voor jou.”

Hij loopt gewoon door, met de vlieger tegen zijn borst. Hij is net een kanarie met dat groen en geel. Ik loop met hem mee, maar ik moet eigenlijk de andere kant uit. Ik denk dat hij het wel merkt, want hij begint er uit zichzelf weer over.

“Ik neem ‘m eerst een week, en dan jij, en dan ik weer, en zo steeds door”

Ik moet er over nadenken, dat mag ik niet te lang doen, want dan gebeurt het zo, eerst hij, dan ik. En ik geloof niet dat ik dat wil. Ik probeer mij voor te stellen hoe de vlieger eruit ziet nadat Arne hem een week gehad heeft. Zijn broer heeft er mee gespeeld, hij heeft tien keer in een boom gehangen, de vlieger, en de broer daarna ook, ze hebben het papier beklad, met van die vechttekens en “AF1”, Arne Fighter één, heel lelijk geschreven. Gescheurd, het gaat natuurlijk scheuren, het papier, oh nee!

“Nee, ik weet wat, jij laat hem thuis zien en daarna mag ik hem een week en daarna jij en...”

Arne blijft staan. Hij kijkt alsof hij hard naar huis wil lopen, de staart van de vlieger tussen zijn benen. Als hij dat doet grijp ik de staart natuurlijk mooi beet.

“Ik vandaag” zegt hij, “jij morgen”

“Ik vandaag” zeg ik, “jij morgen”

Arne zucht.

Hij geeft de vlieger aan mij. Nu heb ik een kanarieborst.

“Jemig” zegt hij, “okee dan, maakt mij het uit!”

Hij draait zich om, maar hij loopt niet weg.

Er is iets raars. Ik wil de vlieger niet meer.

“Weet je wat het beste is?” zeg ik.

Arne draait terug, kijkt mij aan alsof hij denkt dat ik de vlieger toch aan hem ga geven. Ik pieker er niet over.

“Gewoon geen van beiden” zeg ik.

“Geen van beiden” zegt Arne, ik weet niet of hij het als vraag bedoelt, of dat hij instemt.

Met mijn voortanden bijt ik het touwtje door.

“Hop” zeg ik. Ik gooi de vlieger in de lucht

Nu doet hij het wel. Hij tolt rond, echt hoog komt hij niet. Hij boort zich in de meidoorn langs de vijver. Te hoog om er bij te kunnen

“Zo”, zeg ik

“Ja” zegt Arne.

Het lijkt of er een dikke reuzenkanarie in de struiken hangt, met zijn kop naar beneden.

vrijdag 9 oktober 2009

Auteursfoto

De fotograaf kwam helemaal uit Amsterdam. Het was een geschikte kerel, echt waar. Hij vroeg of de motor op de stoep van mij was, en wat mijn favoriete Beatles-nummer was. Terwijl ik antwoordde (de eerste vraag was gemakkelijk) stond ik een dikke lap klapstuk aan te braden. Wij eten in Leiden namelijk hutspot op 2 oktober, en ook op 3 oktober, als we tenminste nog iets lusten na het nachtelijk drinkgelag en het poffertjesbacchanaal op de kermis.

De fotograaf was ruim tien jaar ouder dan ik, ook dat maakte hem heel geschikt. Moet ik dat uitleggen? Wie schept er genoegen in op de plaat gezet te worden door een jonge god die geen andere gedachte kan hebben bij de klus dan: “gadver, ouwe harses, zelfs bij het warmste strijklicht een kop van papier-maché, geen porem, gauw schieten en moven”?

Hij vroeg of ik zelf een gedachte had over de locatie. Ik monsterde de puinhoop in de kamer. Speelgoed, half afgemaakte puzzel op tafel, rommelige boekenkast, stapels post op de piano. “Buiten”, zei ik.

Het regende.

“Klaart zo wel op” zei ik.

Ik bluste het klapstuk af. Hij vroeg naar de ins en outs van het gerecht. Een geschikte kerel, dat zei ik. Ik vroeg ook dingen, want ik wilde in geschiktheid niet voor hem onder doen. Hij had Maarten ’t Hart nog geschoten, met zijn camera bedoel ik, een hele rare man, zei hij.

“De polder hierachter” zei ik, “een beetje landelijk past goed bij het boek”

Ik bedacht dat dit een zin was die mij in de meeste omstandigheden aan het lachen zou maken, maar op dat moment niet. Toen het klapstuk braaf sudderde ging de regen over in mot. Het leek erop dat wij zo’n gluiperig buitje wel zouden kunnen negeren.

Ineens was ik blij met dat snertweer. Ik had er niet aan moeten denken om bekenden tegen te komen in parkpolder Cronensteyn tijdens de fotoshoot. Bruidegom die zijn bruid kwijt is. “Nu even over je schouder kijken!”. Naar wie? Niets te zien daar. Een boom. Ik probeerde te kijken alsof ik een heel interessante vorm van bladschurft zag. Maarten ’t Hart schoot in mijn gedachten en bleef er nogal dwangmatig hangen. “Kijk maar even over je andere schouder”. Over die schouder kon ik kijken tot de einder, maar er was evengoed niets te zien. Hallo heeft u misschien een dame in een witte jurk gezien? En zo stond ik daar te sudderen, het duurde en duurde, mijn hemel, zeker vijf minuten. Het regende niet meer. Nu moet ik eigenlijk mijn kinderen halen, zei ik. “Klaar” zei hij, “prima”. Ik weet niet waar dat ‘prima’ op doelde, maar het klonk heel geschikt.

Thuis rook het naar vet draadjesvlees. Hij zei hartelijk gedag. Ik dacht: tot het volgende boek dan maar - ik kijk er nu al naar uit, want dat is mijn favoriete boek.

Nu de foto’s binnen zijn begin ik toch te twijfelen. Zal ik vragen of er een foto van mijn motor op de achterflap mag?

maandag 5 oktober 2009

Tell a reader, lose a dream

Dromen: een nachtmerrie voor lezers. Tell a dream, lose a reader. Als enkel je dromen nog het vertellen waard zijn, moet je wel een armzalige verbeeldingskracht hebben, is de achterliggende gedachte van dit schrijversgebod. Om alle schijn te vermijden kan je daarom maar beter het zwijgen doen over je nachtleven. Alsof het niet bestaat, alsof het je op geen enkele manier kan bedrukken.

En dat is niet waar. Helemaal niet waar.

Zo nu en dan heb je een nachtelijk avontuur dat je de hele dag in een stalen greep houdt, zo’n droom die je niet van je afgeschud krijgt, onder de koude douche sta je je nieuwe problemen nog te herkauwen, ze lijken niet minder urgent dan toen je nog sliep. Machteloos giet je jezelf vol koffie. Meestal sta ik in die dromen voor de klas en heb ik de les niet voorbereid, en net als iedereen doe ik herexamen, minimaal een nacht per kwartaal. En ja, ook ik lever na afloop een nagenoeg leeg antwoordenvel in. Ik heb nu eenmaal meer vragen dan antwoorden – een excuus dat in het echte leven ook al nooit werkte. Heel zelden, echt bijna nooit, herinner ik mij de volgende ochtend de vragen nog van dat examen. Gisteren wel. Het betrof een algemene intelligentietest. Dat is een recept voor rampen. Om mij heen louter opgewekt geschrijf, ik hoor de potloden nog over het papier krassen. En dit waren de opgaven.

  1. maak de volgende reeks af: 3 4 4 5 4 5a 5b 6 ...
  2. wat is het koppelwoord: speel ..... fabriek
  3. maak de volgende reeks af: 3 5 8 12 17 ...
  4. bal verhoudt zich tot strijkijzer als zandbak tot ......
  5. maak de volgende reeks af: A B D C F B C ...

Dat ik vraag 3 na enig gepieker kon oplossen maakte mijn paniek alleen maar groter.

Ik wil er vanaf!

Wie helpt mij aan de juiste antwoorden?

Gerwin in DWDD 28 januari 2010