maandag 22 december 2014

Recensie: 'Zondagen in augustus' van Patrick Modiano

Bij een schrijver als Patrick Modiano, dit jaar bekroond met de Nobelprijs, krijg je zo langzaamaan de indruk dat je zijn gehele oeuvre moet kennen om iets zinnigs te kunnen zeggen over één boek. Het is net of die prijs, tezamen met alle analyses en retrospectieven die erop volgen, niet alleen het oeuvre bekroont, maar ook meteen de duiding ervan voor zijn rekening neemt. Om in de kerstsfeer te blijven (hier neem ik een beetje risico): met ieder boek werd een boom verder opgetuigd. Die boom stond er allang, tamelijk onbeweeglijk, alleen vergaten wij te kijken. Nu, met de Nobelprijs, is de piek erop gezet. Lichtjes aan, oeh en ah, je bent slechts nog in staat het geheel te zien.

Ik las onlangs Zondagen in augustus, een roman uit 1986. Het was mijn tweede Modiano ooit (In het café van mijn verloten jeugd las ik enkele jaren geleden), en mijn eerste na het gedoe rond de Nobelprijs. Zondagen in augustus is een betoverende, en vooruit, je moet het woord maar durven laten vallen, bloedstollende kleine roman.

Een kenner zou over Zondagen in augustus misschien zeggen dat het een typische Modiano is, dat zijn toon en zijn thematiek er in samengevat liggen, de zachte melancholieke sfeer, het doelloze bewegen door de stad, het diffuse verleden dat overal op de loer ligt, en dat het enige afwijkende wordt gevormd door het decor: Nice, in plaats van Parijs. Maar goed, ik ben geen Modiano-kenner, en ook niet zo geïnteresseerd in de hele boom. Ik lees een boek, geen oeuvre.

Hoofdpersoon Jean is in het vertelheden om onduidelijke redenen afgereisd naar Nice. De straten en boulevards roepen herinneringen op aan een eerder verblijf in Nice, vele jaren geleden. In dit verleden speelt het hele verhaal zich af. Jean was met zijn vriendin Sylvia op de vlucht. Jean, Sylvia, en een diamant, ze zijn naar het zuiden gereisd, ze zouden eigenlijk wel verder willen dan Nice, maar dat lukt niet. De zee snijdt hun pad af.

Ze laten zich ook wel heel gemakkelijk het pad afsnijden, zo valt je op, bij het minste of geringste zakken de twee weg in indolentie. Sterker nog, ze lijken hun ondergang zelf op te zoeken. Vanaf de eerste ontmoeting met het ‘Amerikaanse echtpaar’ (dat bij nader inzien opmerkelijk goed Frans spreekt, in diverse dialecten zelfs) Neal voel je die ondergang naderen. Het fraaie is hoe Modiano in de lucht laat hangen waar het stel voor vlucht, waar de dreiging nu precies vandaan komt, en op welke manier ze in Nice hun ondergang tegemoet slenteren.

De diamant is gestolen, dat ligt er dik bovenop. Maar waarom draagt Sylvia hem dan zo opzichtig? Willen ze eigenlijk niet vluchten? Willen ze gevonden worden? Lang niet alle vragen die Modiano bij de lezer oproept worden beantwoord. En is er wél een antwoord, dan komt er een nieuwe vraag voor in de plaats, en nooit een ontknoping. Dit boek is immers geen thriller.

Desondanks voert Modiano de spanning op, vakkundig, tegelijk met het tempo. De nachtelijke scène waarin het echtpaar Neal de twee haast willoze geliefden op sleeptouw neemt langs etablissementen aan de Cote d’Azur knijpt je keel dicht. En dan is er steeds die schim uit hun verleden die overal opduikt, een onaangename kerel die Villecourt heet. Toch zijn Jean en Sylvia minder bang voor de schimmen dan eigenlijk zou moeten, ze wuiven alle dreiging weg:

‘De hemel was die middag zo blauw, de gevels van de flatgebouwen zo wit en zo roze dat een spook als Villecourt niet tegen die zomerse kleuren op kon. Hij zou het niet bolwerken. Hij zou oplossen in de lucht waarin de geur van mimosa hing’

Ook de raadselachtige Neals blijken ‘spoken’, er bestaat niemand met die naam, en ze zijn niet te traceren. Sylvia wordt in Nice ontvoerd door de ‘spoken’, en de hoofdpersoon blijft radeloos achter. Haar verdwijning wordt nooit opgelost.

In het laatste gedeelte, als de herinnering van de ik-persoon ons meeneemt naar de bloedeloze ‘badplaats’ aan de Marne waar hij Sylvia ontmoet, wordt duidelijk waarom de twee geliefden in Nice zitten en hoe ze aan die diamant zijn gekomen. Terug naar het vertelheden. Jean beweegt nu zelf als een schim door Nice, hij heeft ontdekt wat hij al die tijd al wist: het heeft geen zin te vluchten voor je lot. Zo wordt Zondagen in augustus een boek over de onbegrijpelijke lotsbestemming van de immer mistastende mens.

Het is verrukkelijk hoe het plot in dit boek in dienst staat van de toon en de beeldenrijkdom, in plaats van andersom. Het is een verrukking om een boek te lezen waarin de stijl en de stof, de vorm en de inhoud samenvallen, waardoor er iets beklijft dat je een sfeer zou kunnen noemen, maar evengoed een wereldbeeld. Kennelijk is dat het enige wereldbeeld dat Modiano ter beschikking heeft, de kenners zeggen het, Modiano zelf zei het in een interview in NRC in 2004:

Men is veroordeeld steeds hetzelfde boek te schrijven […] Het is alsof je één groot boek schrijft waarin je onophoudelijk dezelfde gegevens omwerkt.


Zie je, toch die boom, met piek. Het zal wel. Voor mij staat dit boek moeiteloos op zichzelf. Alles in dit boek gebeurt en is geschreven met zo’n ogenschijnlijke eenvoud, zo vol gratie en vanzelfsprekendheid dat het je tegelijk beklemt en verrukt. Het maakt dat je even in een droevige vrede leeft met, ja, met alles. Wie zo’n boek schrijft heeft niet eens een oeuvre nodig.

zaterdag 20 december 2014

De Beste Boeken van 2014 die niet in de Lijstjes stonden

We hebben het weer zo’n beetje gehad, het jaarlijkse gezelschapsspel van de eindejaarslijstjes met ‘de beste boeken’, in kranten en (online) magazines. Voor Kerst is het meestal wel gedaan, want daarna begint het terugblikken op de dingen die er echt toe deden in 2014, de rampen, de sportprestaties, de overledenen, enzoverder, bij zulke urgente zaken moet je lijstjes met boeken weg houden.

Ik vind het altijd een indrukwekkend idee dat het handjevol redacteuren en freelancers die over boeken schrijven tezamen álle boeken die dit jaar zijn uitgekomen gelezen hebben, en dan ook nog het overzicht behouden voor zo'n lijstje. Het is haast net zo moeilijk te bevatten als het gegeven dat alle voetbalcommentatoren van de NOS samen alle wedstrijden uit het betaald voetbal in hun geheel gezien hebben. 

Ja, dat is mooi en troostrijk. Want dan hoeven wij het zelf niet te doen.

Toch stellen die boekenlijstjes mij altijd teleur. De voorspelbaarheid ervan maakt me mismoedig. Het is een opsomming van dingen die je al wist, althans, van meningen waarvan je al dacht te weten dat de recensent ze zou hebben. Niets saaier dan dat. Misschien kunnen we de lijstjes interactief maken. Dan kan je bijvoorbeeld het eindejaarslijstje van Arjen Fortuin, Arie Storm of Rob Schouten samenstellen, en achteraf kijken hoeveel je er goed had.

Volgens mij zou het doel van eindejaarslijsten moeten zijn de lezer nog één keer te verleiden een boek te lezen dat dit jaar is uitgekomen, een mooi boek dat na de jaarwisseling voorgoed vergeten dreigt te worden. Ik las dit jaar een aantal heel goede boeken die ik niet in de lijstjes heb teruggevonden.

Uit onvrede daarover maak ik zelf een lijstje. De beste boeken van 2014 die ik las en die ik niet in de lijstjes heb aangetroffen:

Rob van Essen, Hier wonen ook mensen
Samen met Denis Johnsons Laughing Monsters (Engelstalig, telt niet) het mooiste boek dat ik dit jaar las. Er was weliswaar veel lof voor deze verhalenbundel, maar toch is het boek ondergesneeuwd in, laten we maar zeggen, het Rumoer rond Nieuwe Grote Romans, Boeken van de Maand, Prijzen, en ‘Jongschrijvers’ (term van Arjen Fortuin). Laat de eerste Maarten Biesheuvel prijs alsjeblieft voor Van Essen zijn.

Pieter Hoexum, Kleine filosofie van het rijtjeshuis
Een pleidooi voor klein en desondanks meeslepend leven in een vinexwijk. Houd op met die aanstellerij, zegt de schrijver, er valt genoeg te beleven en te bewonderen achter je tuinhekje. Saai is het nieuwe opwindend. Veel geleerd van dit boek, ook allerhande  trivia: Hoexum leest bijv. liever het telefoonboek dan een roman als Vinexvrouwen van beroepsaanstelster Naima Bezaz.

Paul Verhuyck, Inmiddels op aarde
Een passage als deze rechtvaardigt mijn keuze al: ‘We waren vrolijk en noemden onszelf filosofische cultuurpessimisten. Jong zijn is onvergetelijk. Niet vanwege dat pessimisme. Daar is geen bal aan, dat blijft wel aanzeuren, levenslang als je niet oplet. Nee, het gaat om die vrolijkheid. Die vrolijkheid komt nooit meer terug, of je moet er heel veel moeite voor doen.’ Hoeveel exemplaren zouden er van dit boek eigenlijk verkocht zijn? Driehonderd?

Chrétien Breukers, Een Zoon van Limburg
Ja, waar gaat dit boek over? Over terugkeer naar je geboortegrond, en de onmogelijkheid samen te vallen met wie je vroeger was? Of gewoon over poëzie, over schrijven, over boeken die je vormen? Geen idee eigenlijk. Maar ach, wat maakt het uit, wanneer je schrijft alsof er werkelijk iets van afhangt

Herman Brusselmans, Zeik.
Drie romans heeft die man dit jaar uitgebracht! Drie! En er is er niet een die ergens op een lijstje beland is. Hoe is dat mogelijk? Bij de eerste twee pagina’s van Zeik, ultieme persiflage op de politieroman, heb ik zes keer hardop gelachen. Ik heb de beste smoes voor laatkomen aller tijden geleerd (‘ik stond te masturberen onder de douche, en het duurde heel lang voor ik klaarkwam’). Dan hoor je op een lijstje. Punt.


maandag 15 december 2014

Recensie: ‘The Laughing Monsters’ van Denis Johnson

Als ik een goede schrijver lees, een echt goede, dan moet ik mij bedwingen het boek neer te leggen om zelf te gaan schrijven. Verdomd, zo moet het, denk ik dan, dit wil ik ook. Ik moet dat alleen niet echt doen, want dan loopt het natuurlijk verkeerd af. Ik moet hierbij denken aan de stunts die ik als jongen uithaalde na het zien van een Tarzanfilm in het buurthuis. Wat Johnny Weismüller kon, dat wilde ik ook kunnen. Ik rende op de eerste de beste lantaarnpaal af en klom erin. Met een paar kapotte knieën en een bult op de kop kwam ik er dan nog genadig van af. Nee, bewonderen van goede schrijvers is, evenals het bewonderen van Tarzan, een stuk gezonder dan ze imiteren.

Met opzet zeg ik ‘als ik een goede schrijver lees’. Het boek hoeft namelijk niet eens echt goed te zijn, ook een matig boek van een zeer goede schrijver heeft die uitwerking op me. The laughing monsters van Denis Johnson is geen matig boek, integendeel, het is een heel goed boek. Als je de achterflap leest geloof je dat trouwens niet onmiddellijk: 

“Sierra Leone. Suspision has become the law. Many people watch. But nobody sees.”

Je hoort de donkerbruine filmtrailer voice-over er direct bij, hartklop-drums en aanzwellende strijkers. Maar in een Hollywood-film zou er dan One Man zijn, en die had One chance, en die zou hij grijpen. Bij Denis Johnson niet. Er zijn Two Men, en beide maken er een onnoemlijke bende van, Een blanke en een zwarte oud-militair, thans spionnen, dealers, leugenaars, sjacheraars, aanmodderfokkers. Hoofdpersoon is de cynische NATO-agent Nair, die slechts uit is op eigen gewin en zich weinig gelegen laat liggen aan de orders die hij krijgt van de al even cynische diensten waar hij voor werkt. Nair laat zich letterlijk meeslepen door de Afrikaanse deserteur/handelaar Michael Adriko, een imposante kerel die als volgt door de schrijver wordt geïntroduceerd:

‘People were either staring or making sure they didn’t. This was Michael Adriko.’

Johnson munt uit in dit soort strakke, effectieve beschrijvingen van personages en situaties. Adriko neemt het met de waarheid niet zo nauw, maar zijn ‘waarheden’ zijn onweerstaanbaar genoeg om Nair te bewegen met hem mee te gaan.

‘True or false, what does it matter? Michael’s truths live only in myths. In the facts and details, they die’

Ze reizen met Adriko’s verloofde naar Oeganda, en rijden vervolgens met een jeep de binnenlanden van Congo in. Adriko wil zijn verloofde voorstellen aan zijn ‘familie’, en tegelijk een deal sluiten met een ongure Zuid-Afrikaan rond een partij nep-uranium. Een en al suspense en hard-boiled spionage, maar wat blijft hangen is dat niets lukt en niets doorgaat. Ook die familie is nergens meer te bekennen.

Het heeft geen zin de plot hier samen te vatten. Die plot doet er ook niet zoveel toe. Het gaat in dit boek om de toenemende staat van ontreddering en moreel verval van Nair, en die onherroepelijk wordt nadat ze met Adriko’s jeep een onschuldige vrouw doodrijden op een modderige weg in Oost-Congo:

“But we couldn’t go back, we couldn’t, not in Africa – this hard, hard land where nobody could help that poor woman [...] and where running away from this was not a mistake. The mistake was looking back at her in the first place.”

Vanaf dit punt wordt de roman steeds onwerkelijker, de lezer zakt met Nair weg in de Congolese modder, Babylonische spraakverwarringen, onbegrijpelijke complotten en ondervragingen. Zo je wilt kan je het morele failliet van Nair van toepassing laten zijn op het hele continent, op de hele wereld na 9/11 desnoods, Johnson stipt dit zelf aan. Niet toevallig is de jungle waar Nair in verstrikt raakt dezelfde als die waar een beroemd boek dat gaat over moreel verval zich afspeelt: Heart of Darkness van Joseph Conrad. Maar waar Conrad de gecorrumpeerde Kurz ten slotte ten onder laat gaan met de woorden ‘The Horror! The Horror!’ op de lippen, daar is er voor Nair ineens een wonderlijke uitweg uit de misère. Het lijkt een wat flauw happy ending, maar daaronder wringt er iets. Misdaad loont dus, denken we. Die gladjanus komt mooi weg met zijn gesjacher, en het ergste is: wij vinden dat nog fijn ook.

The laughing monsters is moeiteloos één van de beste boeken die ik dit jaar las. Maar nog beter dan het boek zelf is de schrijver. Hoe Johnson bijvoorbeeld de sfeer in een Oegandese bar beschrijft, waar Nair zich bedrinkt, zich uitkleedt en in de regen ‘hard as hail’ bij de rand van het zwembad gaat staan, is ronduit grandioos. Eindelijk lijkt Nair verlost te zijn van zijn demonen, in de ‘sweet rain pouring all around’. En dan volgt ineens dit zinnetje:

‘I jumped into the water and drowned’.

Nu ga ik een lantaarnpaal opzoeken, daar zal ik inklimmen, en van daaruit zal ik dan de lof zingen over deze schrijver.


maandag 8 december 2014

Recensie: 'De Linkshandigen' van Christiaan Weijts

De Linkshandigen van Christiaan Weijts begint met een grapje, een fraai, elegant grapje: het omslag is een trompe-l’oeil. Het lijkt eerst alsof het boek aan de verkeerde kant opengaat, dan denk je een kort moment dat het boek helemaal niet open kan, en ten slotte blijkt dat je misleid bent door een extra flap die om het boek heen is gevouwen. Een boek voor linkshandigen, o nee, toch niet. Mooi gedaan, en passend, want het hele boek lijkt een elegant grapje, een parodie op road novel, thriller en ‘betekenisliteratuur’. Vergeef me de uitdrukking, het is natuurlijk niet echt een genre, maar ik doel ik er mee op literatuur waarin alle toevalligheden zijn ingebed in een door de Schrijver ontworpen Spel met Betekenissen. Knap, geestrijk, en niet zelden ergerlijk en stomvervelend.

Weijts is goed in het onthullen van verbanden, duiden van gebeurtenissen, en in betekenisheuristiek in het algemeen, als columnist en essayist in het bijzonder, maar ook als romancier. Heb je in het echte leven noodzakelijkerwijs eerst de toevalligheden, en daarna de duiding, in een roman kan je bij de duiding of de betekenissen de schijnbare toevalligheden zelf verzinnen. Dat lijkt, in deze roman, te opzichtig gebeurd. 

Hoofdpersoon is Simon, een cartoonist die zijn subversieve plaatjes met de linkerhand tekent, na een verwonding aan zijn rechterhand. Die verwonding liep hij op bij een noodlottige gebeurtenis. Simon heeft jaren geleden in een dronken bui een snelle zakenjongen van een groot telecombedrijf doodgeslagen, de kerel die Simons zus eerder een depressie in heeft gejaagd. Deze gebeurtenis komt vervolgens weer centraal te staan in een kolderiek plot, waarin Simon, zojuist ontslagen bij de krant, met een liftende (linkshandige) celliste op weg gaat naar een Frans dorpje. Dit alles, en veel meer, krijgt zijn beslag in zo’n 180 pagina’s.

De spanning tussen toeval en betekenis staat dus centraal in deze roman. Als motto voor zijn boek koos Weijts een citaat uit Op weg naar het einde van Gerard Reve:

‘Hij is linkshandig, zie ik nu opeens, en ik ben ook links – zo zie je, dat niets in dit wereldbestel toevallig is’

Dit motto (niets is toevallig...) inclusief de ironische ondertoon (...maar niet heus) ligt ten grondslag aan dit hele boek, en doet het ook teniet.

Weijts kan natuurlijk zeer goed schrijven, laten we dat vooropstellen. De talrijke passages waarin hij de tijdgeest fileert zijn heel fijn, en ook in terloopse beschrijvingen excelleert hij, zoals bij de speciaalzaak voor linkshandige gitaren in Parijs: ‘In de etalage hangen ze naast elkaar, als rijpende hammen aan een plafond. Al die gespiegelde instrumenten, in alle kleuren en alle modellen, wachten op hun deviante verlossers.’ De begrafenis van Simons zus wordt als volgt beschreven:

‘Urenlang moest met gezang, gebed en gezwaai met wierook de dood van zijn lichtzinnigheid worden ontdaan, vanuit de betekenisloze wereld opgetild worden naar eentje in welke de aanwezigen geacht werden zinvolle betekenissen te erkennen, ook al ontbrak daar ieder spoor van bewijs voor.’

Mooi, maar tegelijk komt hier de slimme schrijver weer met zijn kop door het karton, zoals Ome Willem: ‘Dag rákkers!’ Want de invoelbare weerzin van Simon tegen het ritueel van betekenisgeving aan zoiets zinloos als de dood wordt tezelfdertijd teniet gedaan door de Schrijver, die in deze roman hetzelfde doet, namelijk een labyrinth van verbanden en betekenissen aanleggen, alleen ontdaan van de ernst van het begrafenisritueel. Ernst bestaat eigenlijk niet in dit boek, of het moet zijn in de pamflettistische passages over de macht van het grootkapitaal en de teloorgang van privacy. Maar als we per ongeluk al iets zouden voelen bij de dood van Simons zus, dan lacht de schrijver ons uit. Het is maar flauwekul. Het is een grapje.

Daarna wikkelt het verhaal zich razendsnel en volstrekt ongeloofwaardig af. Echter, tegen iedere vorm van ongeloofwaardigheid heeft Weijts zich al ingedekt. Niets is immers volledig serieus te nemen, lijkt hij zelf te zeggen. Tot hij in de Verantwoording op de laatste pagina een volledig gedicht van Wordsworth afdrukt. Wil hij dan toch dat we iets voelen? Te laat, helaas, te laat.


Literatuur in deze vorm is een spelletje, een elegant grapje, zoals het omslag van dit boek. Meer kan het nooit worden, en dat wringt, dat maakt dat je je na lezing van dit boek zeer teleurgesteld voelt, daar helpt een gedicht van Wordsworth niet meer aan. De Linkshandigen stelt teleur. Alleen de beste schrijvers kunnen je werkelijk teleurstellen.

vrijdag 5 december 2014

Goed zonder bal (column Trouw 3 dec)

Al sinds mensenheugenis hebben we op school een zaalvoetbalteam van docenten, en om onduidelijke redenen maak ik daar al sinds jaar en dag deel van uit. Het team bestaat voor driekwart uit fitte gymleraren van drieëntwintig, en voor de rest uit een leraar Engels met een haarband, een angstaanjagende doelman met een rode baard, en ik dus.

Wij spelen alleen wanneer wij dat willen, en tegen wie wij willen. Tegen bovenbouwers dus, bij voorkeur tegen knapen met wie wij nog een appeltje te schillen hebben. Als wij van ze winnen, gaan ze moeilijke maanden tegemoet. Als wij verliezen dan gaan wij bier drinken en zeggen dat het eigenlijk best aardige jongens zijn.

Zo gaat dat al jaren.
Blijft de vraag wat ik daar doe.
Ik weet het eerlijk gezegd niet. Niemand weet het. Misschien was er die dag, lang geleden, een gymleraar ziek en vroegen ze mij omdat ik toevallig de enige collega was die niet op krukken liep. Inmiddels heb ik een hele generatie jonge gymleraren overleefd en sta ik nog steeds in het basisteam. Of liever gezegd, ik ben nooit verwijderd uit de mailinglijst.

Afgelopen vrijdag speelden wij na lange tijd weer samen, in een kraker tegen voetballers uit de examenklas. Voor de wedstrijd gaf ik ze allemaal een hand. Het viel me op dat ze helemaal niet vriendelijk tegen me deden. Er kon geen grapje af. De koppen stonden strak, zeg maar. Na vijf minuten had ik nog geen bal gehad (let wel, het is zaalvoetbal), maar wel drie knullen van scoren afgehouden door in de weg te lopen. In de weg lopen is mijn specialiteit. Cruijff zou zeggen: hij is goed zonder bal.

Ze kwamen 0-1 voor, maar gaandeweg werden wij beter. Piepende schoenen, gehijg, geroep, doelpunten. Vlak voor tijd stond het 2-2. Toen ging het fout. Ik speelde de bal helemaal verkeerd door het midden, een lange jongen met feloranje voetbalschoenen onderschepte de bal en liet Roodbaard kansloos met een loeihard schot, laag in de hoek. We verloren met 2-3.
Het was mijn schuld, honderd procent, maar niemand die het zei.


In de kleedkamer werden grappen gemaakt waar ik wijselijk niet aan meedeed. Na een tijdje zei ik dan maar: ‘Sorry jongens.’ Daarna pakte ik de tas met de stinkende shirtjes op, om te laten zien dat ik mijn plaats wist. ‘Nee joh, laat maar,’ zei Sven, een gymmende godenzoon wiens moeder nog iedere week met liefde de was voor hem doet. Je moet Van der Werf zo weinig mogelijk te doen geven, leek het beleid, zowel in als buiten het veld. Het deerde mij niet, het was mooi. Maar de volgende wedstrijd moet beter. Ik stel nu eenmaal hoge eisen aan mijn docentschap.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010