vrijdag 29 juli 2011

Postzegels kopen, altijd lastig

Ik ging er zaterdag op uit om postzegels te kopen. Ik bedoel, ik had een dikke envelop maar ik wist niet precies hoeveel porto erop moest. Met een pakketje boterhammen, een kompas en een beker melk in de rugzak ging ik op pad, want dat er geen postkantoren meer in het land zijn weet ik natuurlijk best. Ik moest op zoek naar een postagentschap. Onze postkathedralen, met glas-in-lood en veertig altaren waar je priesterlijk bediend kon worden, zijn verbouwd tot heidense tempels waar je spullen kan kopen die geen mens werkelijk nodig heeft. Dat is de vooruitgang.

Postagentschappen zijn een soort guerrilla-nesten vol rookwaar en porno waar onder de toonbank nog in het geheim postzegels verkocht worden. Het eerste adres waar zo’n postagent zich volgens de geruchten schuilhield bleek stofzuigerzakken en andere zuigaccessoires als dekmantel te hebben. Er was een heuse toonbank in de winkel, alles leek goed te gaan. Tot de winkelier mij zichtbaar ontroerd toevertrouwde dat het agentschap was opgeheven en verhuisd. Hij kon niet zeggen waarheen. Lastig, maar ik begreep het wel, postagentschappen moeten natuurlijk voortdurend verhuizen om het clandestiene karakter te waarborgen.

Ik probeerde een tijdschriftenzaak, drogist, hobbywinkel. Niets. Ik raakte door mijn mondvoorraad heen.

Ten slotte nam ik mijn toevlucht tot de V&D, voor een kleine versnapering. Plots werd ik gewenkt door een winkelmeisje dat mij minderjarig leek. ‘Psst,’ zei ze, ‘postzegels kopen?’ Ik liep achter haar aan. We doorkruisten de hele winkel, ik wist op een goed moment niet meer waar ik was. Om mij heen blonken horloges, carrousels vol ansichtkaarten en zonnebrillen. Geen kip te zien. We kwamen bij een kleine balie, ik zuchtte van bewondering. Het was geniaal, hier zou geen mens een postagentschap vermoeden!

‘Ik zag het aan je uitrusting,’ zei ze, wijzend op mijn bivakmuts. Ze glimlachte geheimzinnig, woog het poststuk. Ik betaalde haar één euro en tweeëndertig cent. Allebei keken wij steels om ons heen tijdens de transactie. Zonder te groeten verliet ik de V&D via de leveranciersingang.

(dit bericht verscheen eerder op Torpedo)

vrijdag 22 juli 2011

Arie

Interviewers, of gewoon oprecht geïnteresseerden, vragen wel eens of ik kan duiden wat het ‘cruciale moment’ in mijn ‘carrière’ is geweest. Ik weet dat niet, en dat vertel ik ze ook. Ik hoop stiekem dat er nog een cruciaal moment komt. Dat die ‘carrière’ nog ergens zit te wachten tot ik hem kom ophalen. Dit vertel ik meestal niet. En wat is dat in godsnaam, een ‘cruciaal moment’? Ik weet wel één goed voorbeeld: Arie.

Arie woonde bij ons in de straat. Zijn huiskamer was zijn atelier, een enorme bende. Hij maakte beelden. Zo nu en dan verkocht hij een beeld aan een buurtbewoner. Een groepje oudere dames hadden zich een beetje over hem ontfermd. Ze organiseerden exposities voor hem, in het bejaardentehuis, de kerk, de bieb. Die dingen kon hij niet goed voor zichzelf regelen. Als je hem niet van huis ophaalde kwam hij niet eens. Bij de opening van een beste expositie in een plaatselijke galerie – die nog flink wat pers trok - zat hij op een stoel voor het toilet, met een schoteltje. Hij vertelde later dat hij die middag vijfendertig euro had verdiend.

Niet lang daarma werd hij gebeld door de curator van het Kröller-Müller Museum. Het Kröller-Müller! De man had iets opgevangen, dingen gezien en gehoord. Hij was bezig met een tentoonstelling. Of hij zondag kon langskomen, hij was namelijk in de buurt, een uur of drie.

‘Dan kan ik niet,’ zei Arie. ‘Dan moet ik dammen.’

Daarna is het stil geworden rond Arie en zijn carrière.

(dit bericht verscheen eerder op Torpedo)

dinsdag 19 juli 2011

Zeep & Glimmende Neuzen

‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde en de zeep, opdat men die zou kunnen meenemen in een rugzak.’

Deze zin las ik in In de ban van de tegenstander van Hans Keilson. Ik vind dit misschien de beste zin uit het boek. Niet omdat er waarheid in schuilt. Integendeel – ik denk dat er geen mens is die gelooft dat er ook maar een greintje waarheid in die zin zit, christenmensen noch godloochenaars. Ik vind hem ook niet goed omdat hij zo absurd is, want ook dat is hij bij nader inzien niet.

De vader van de hoofdpersoon pakt met zorg een rugzak in, met spullen die hij noodzakelijk acht voor de reis naar een vernietigingskamp. De jongen vraagt naar de inhoud. Het eerste dat de vader noemt is het stuk zeep. ‘Zeep was dus het eerste wat hij had meegenomen. Alsof er op de hele wereld niets belangrijkers was dan een stuk zeep om mee te nemen op zo’n reis, en alsof God op de eerste scheppingsdag meteen ook de zeep had geschapen.’ Daarna komt die zin.

Dit is genoeg uitleg waarom het zo’n mooie zin is. Meer uitleg zou misdadig zijn. Zoiets als een mop uitleggen, maar dan erger. Zeggen waar je verstopt zit, terwijl degene die hem is nog staat te tellen met zijn gezicht tegen een muurtje. Maar dan erger, veel erger.

Ik denk dat het hele oeuvre van Grunberg schatplichtig is aan deze zin over de schepping van de zeep, ook al heeft Grunberg de zin misschien nooit gelezen. De zin is geschreven in 1959. Ik vind deze zin van Grunberg ook heel goed: ‘Toen ik klaar was zei Broccoli: “nu zullen wij niet terechtkomen in de lade met glimmende neuzen”’. Ik vind heel veel zinnen van Grunberg goed, maar deze schiet me nu toevallig te binnen. De zin van Grunberg krijgt net als bij Keilson genoeg context om boven zijn absurditeit uit te stijgen en eh, waar te worden. Volgens Broccoli rangschikken filmproducenten acteurs naar lichamelijke gebreken, ieder gebrek zijn laatje. Een glimmende neus is een akelig gebrek. Een glimmende neus moet gepoederd worden, want Broccoli wil een ster worden. Vandaar.

Toch is de zin van Keilson veel beter en mooier, en ook dat verdraagt geen nadere uitleg. Grunberg heeft geloof ik niet zoveel met mensen. Keilson wel, en zeker met zijn vader, die hij grondig veracht om de komedie met de rugzak en de zeep. Ja, misschien is het bij nader inzien wel de beste zin die ik dit jaar las.

maandag 18 juli 2011

Oefeningen in verveling

Binnenkort gaan wij weer heel lang met elkaar in een auto zitten, want het is vakantie. Ik kan niet goed zeggen wat precies het mooiste van de vakantie is: het moment dat we in die volgepropte auto stappen of het moment dat we er met doorzitplekken weer uitkomen. Ik denk toch het eerste, omdat de Hoop dan nog door geen enkele tegenslag besmet is. Het idee dat je op Avontuur bent loopt meestal de eerste deukjes op bij aankomst op de camping. Natuurlijk, thuiskomen is ook mooi, maar om redenen die niets te maken hebben met Hoop en Avontuur.

Hoop en Avontuur beginnen bij een schone auto. Voor vertrek zuig ik de wagen daarom grondig uit. Daartoe zat ik vanmiddag op de achterbank, een gebied waar ik nimmer kom. Ik zette de stofzuiger uit en bleef een tijdje zo zitten. Ik kreeg een oeroud gevoel, het achterbankgevoel. Het was mooi en het leek mij ineens belangrijk dat ik niet zou vergeten hoe het voelde om uren-, zo niet dagenlang op de achterbank je biotoop te hebben, vroeger, wanneer de vakantie was aangebroken.

De machtsspelletjes met mijn zus, het treiterige afbakenen van de ‘eigen helft’, het snauwen van mijn moeder, het over de schouder aanreiken van de rol fruitella. Met je hoofd tegen het venster hangen, de kuiten tegen het warme kunstleer geplakt. Het kroeshaar op het achterhoofd van mijn vader, waar ik tegenaan keek omdat er nog geen hoofdsteunen bestonden - behalve in Mercedessen, maar wij hadden natuurlijk een Kadett.

Maar terwijl ik daar zo zat moest ik vooral denken aan die onverzettelijke ruitenwissers, en hun hopeloze strijd tegen de regen. Als je zelf rijdt, zie je het niet zo, hoe de wissers het water naar beneden duwen, en dan weer opzij – met ferme hand, zou je bijna zeggen - hoe bij harde regen het water aan de zijkant wegkruipt en ontsnapt, en hoe op de snelweg de wind het water weer omhoog blaast. Je keek bij welk punt het water de wissers weer ontmoette, en of dat veranderde – of een van de twee aan de winnende hand was. God, wat een verrukkelijke oefening in verveling.

Dat zat ik zo te bedenken, met een stofzuigerslang in mijn poten, op mijn eigen achterbank die voor mij zo weinig betekenis heeft. Het achterbankgevoel van mijn eigen auto is voorbehouden aan mijn kinderen. Die moeten er straks een week of twee rondhangen. Wij hebben wel hoofdsteunen, maar er zitten om de dooie donder geen dvd- of aanraakschermpjes in gemonteerd. Ook zij zullen zich dus moeten vermaken met de ruitenwissers en de regen. Het wordt fijn, want het ziet ernaar uit dat zij daar ruimschoots gelegenheid voor krijgen.

vrijdag 8 juli 2011

Schouders

De schouders van mijn zevenjarige dochter ontroeren mij. Vooral als ze zo’n zomerhempie draagt waar ik haar schouderbladen doorheen voel prikken, als ze naast me fietst en ik mijn hand op haar rug leg. Ja, soms ben ik net een oud wijf. Maar goed. De punten van beide schouderbladen passen net in mijn handpalm, ik voel ze bewegen als zij op de pedalen trapt.

Ach misschien zijn het niet die schouders die mij ontroeren, maar de dingen die zij zegt. Ze zegt dat het niet lang meer duurt voor wij op vakantie gaan naar Engeland. Ja, het is nog twee weken, maar we gaan allemaal leuke dingen doen tot die tijd, zoals logeren, dus lijkt het kort. Ze vraagt ook waarom in Amsterdam bijna iedereen Engels praat en rare schoenen draagt. Ze trapt flink door, haar schouderbladen golven.

Ze vraagt ineens waarom ze leeft. Ik probeer recht te blijven fietsen. ‘Wat zeg je?’

Zij: ‘Ik bedoel, hoe wéét je nu dat je leeft?’

Ik vraag mij af of zij mij iets duidelijk probeert te maken. Iets wat tussen die woorden in hangt. Er knettert een dikke vrouw op een scooter langs.

‘Nou, daarom dus,’ zeg ik als het mens een eind voorbij is, hopend dat ik ermee weg kom. Maar ik kom er niet mee weg. Ze trekt haar schouders en zucht, zo’n diepe meisjeszucht die jou declasseert tot een knuppel-eerste-klas.

‘Omdat je deze dingen nu denkt, en zegt,’ zeg ik snel, een Franse filosoof napratend. Het blijft even stil.

‘Dan is het dus niet erg om dood te zijn,’ zegt ze, ‘want dan kan je niet denken, dus ook niet denken dat je dood bent.’

Mijn dochter zegt vaak ‘dus’. En ze ouwehoert vaak over de dood. Dat heeft niets te maken met dat gaatje in haar hart, waar ze honderd mee wordt. Ik denk dat het komt omdat ze haar overgrootmoeder krijtwit, dood en strak gekapt in de kist heeft zien liggen. Of omdat ze het leven soms geen bal aan vindt, en dat ook gewoon zegt.

Maar nu zegt ze dat niet. Ze piept van de levenslust en fietst als een gek - ik duw haar niet eens, ik geloof dat ze mij trekt want mijn hand plakt aan haar blote bovenrug. Aan het einde van deze zomer passen haar schouders niet meer in één hand, vermoed ik.

maandag 4 juli 2011

Weg met de Sponsormaffia!


Ik heb het niet op sponsoracties. Ik vind het de meest slinkse vorm van fondswerving sinds de Kruistochten. Goed als mijn eigen kinderen een paar rondjes om de school rennen voor Jantje Beton, vooruit. Maar volwassen mensen die jou geld aftroggelen, om het weer in te leveren bij een organisatie die hen faciliteert om een ‘sportieve topprestatie’ te leveren, zodat ze dubbel tevreden over zichzelf kunnen zijn? Ik wil er niets mee te maken hebben.
Echter, het grijpt als een besmettelijke ziekte om zich heen: Alpe d’HuZes, Roparun, Rowing 4 Rights, en ga zo maar door. Hele legioenen doen mee en de thuisblijvers moeten geld geven. Geen goed woord heb ik er voor over. Het is een vies zaakje. Het moet maar eens gezegd.

Mijn weerzin begon enige jaren geleden, toen een vage bekende geld inzamelde voor een goed doel door een paar maanden in Afrika te fietsen. Ik kreeg die dingen niet bij elkaar. Hoe kon je geld verdienen door te gaan fietsen in Afrika? Zoiets kost toch alleen maar geld? Mensen in Afrika verdienen toch ook geen geld met zes uur per dag naar school lopen, of naar de waterput? Het duurde even voor ik begreep dat het een variant was op het rennen van rondjes om de school - een megalomane variant waarin het ego van de fietser centraal staat. Hij werd een fietsende Jezus die in ieder schamel dorp met palmtakken werd binnengehaald. Ik weet niet meer welk goede doel het betrof, maar wel dat hij bakken aandacht kreeg, en zelfs een wekelijkse column in de Volkskrant.

In de strijd om fondsen is inmiddels alles geoorloofd. Na het ouderwetse leuren aan de deuren en het bellen rond etenstijd is nu ook de sponsorcolportage professioneel geworden. De Goededoelenpriesters begrijpen de menselijke ziel beter dan de gemiddelde marketingafdeling bij een multinational. Wie kan een vriend, collega of buurman geld weigeren als die zich gaat doodfietsen of een hartverlamming rennen voor de kanker? Iedereen kent wel iemand met kanker. Iedereen geeft, en jij ook, Van der Werf, zo hartvochtig kan zelfs jij niet zijn.

Mooi wel! Bevrijd jezelf, ga fietsen, maar doe het zwijgend. Fiets die Alp tien keer op in stilte. Loop van Parijs naar Dakar (in plaats van terug naar R’dam), en laat nooit meer iets van je horen. wees een bikkel en roei stroomopwaarts, van Boedapest naar Wenen, maar zeg er niets over. Maak geen herrie, houd het stil, word geen kruisridder van de Goededoelenkerk, trap er niet in, en houd mij en mijn portemonnee erbuiten. Doe het lekker voor jezelf en GEEF DAT GEWOON TOE.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010