vrijdag 28 november 2014

'Buierader' (Column Trouw 26 nov)


Het ministerie gaat met de tijd mee, dat valt niet te ontkennen. Onder de vlag #onderwijs2032 is vorige week op Twitter een nationale discussie gestart over de toekomst van ons onderwijs. Eindelijk een onderwijsvernieuwing ‘van onderaf’. Dat lijkt mooi nieuws, maar ik heb mijn bedenkingen. Hebben ze dan zelf helemaal geen ideeën in Den Haag? Wij kiezen die mannen en vrouwen om ons te vertegenwoordigen in een parlement, op basis van hun plannen met dit land, komen ze meteen terug bij ons om te vragen hoe het moet! Ik weet het niet, ik vind het niet erg sterk.

Maar komaan, niet zo zuur, het is hip, en het slaat aardig aan. De snedige tweets en aardige filmpjes vliegen je om de oren op de website #onderwijs2032. De meest populaire tweet van de afgelopen week betrof een grappige foto van één of andere aardrijkskundetoets op een basisschool. De vraag: ‘Je wilt een vakantieplek uitkiezen met een kleine kans op regen. Welke kaart kan je het beste raadplegen?’ De leerling negeerde de drie mogelijke antwoorden en voegde heel slim een vierde toe: ‘Buierader.’

Het plaatje begon na een paar duizend retweets zo’n beetje symbool te staan voor de zelfverzonnen kloof tussen het mondige, out-of-the-box denkende kind en het vermolmde, achterhaalde onderwijssysteem. Ik denk dan: een rare kwibus die zijn vakantiebestemming voor de zomer uitzoekt op basis van de regenverwachting voor de komende drie uur. Ik vind zulke toetsen ook stom, maar laat de meester of juf die geduldig uitlegt hoe je een klimaatkaart leest dat in vredesnaam blijven doen, en ook nog voldoende spellingslessen geven.

Concreet is de vraag die via #onderwijs2032 aan ons gesteld wordt: ‘Wat moeten kinderen leren op school zodat ze klaar zijn voor hun toekomst?’ Lees in plaats van ‘toekomst’ gewoon ‘werk’, want zo wordt het bedoeld. Hun eerste baan, in 2032. Staatssecretaris Dekker noemde in DWDD computerprogrammeren als voorbeeld van een mogelijk nieuw schoolvak, want computers zijn over twintig jaar vast nóg belangrijker. Hij zei het drie keer geloof ik, dus ik voel, eh, de bui al hangen.

Ondertussen vergeten iets wezenlijks: dat we onze kinderen geen onderwijs geven voor een leuke baan, maar voor het leven. Althans, dat is wat ik probeer te doen, ik geef dingen door die ik belangrijk vind, zodat ze niet verloren gaan. Of mijn leerlingen er in hun eerste baan iets aan hebben zal me eerlijk gezegd een zorg zijn.

Het onderwijs mag best vernieuwen, ja, dat lijkt me een prima idee. Maar laten we alsjeblieft niet proberen te bedenken wat onze kinderen over twintig jaar aan kennis nodig zullen hebben in hun eerste baan. Dat is hetzelfde als een vakantie boeken naar een land waar het volgens de buienradar het komende halfuur niet regent.




vrijdag 21 november 2014

Een klap van het schoolbord (column Trouw 19 nov)

Nog nooit heb ik een hardere hengst voor mijn harses gehad dan deze week van mijn schoolbord. In mijn studententijd ben ik eens stevig op mijn gezicht getimmerd door een slechtgehumeurde Utrechtse orgeldraaier, maar dat was een lachertje vergeleken met deze dreun.

Als ik warrig overkom, dan komt dat nog van die klap, ik praat al een paar dagen onsamenhangend, ik ben misselijk en duizelig. Misschien had ik thuis moeten blijven, maar ja, dat doe je niet zo snel, dan moet je nog vroeger opstaan dan normaal om de telefoonboom in werking te stellen. Ik fiets liever met een houten kop naar school dan dat ik om zeven uur ’s ochtends een Katwijkse jongen uit bed bel om te zeggen dat hij nog even in bed kan blijven liggen.

Hopla, daar ga ik alweer, ik dwaal af, dat schoolbord dus. Misschien is het leuk om te weten dat ik de enige docent ben die nog een ouderwets krijtbord heeft. Overal in de school hangen inmiddels beamers en whiteboards waar je op schrijft met van die stinkstiften die slappe punten hebben en die te weinig weerstand krijgen van dat gladde witte rotbord. Of nog erger: digitale pennen, dat is alsof je met een ballpoint op een dooie vis moet schrijven. Het werkt gewoon niet, het meest trefzekere handschrift houdt geen stand. Maar ik heb een mooi groen schoolbord op wieltjes, omdat er aan de muur geen plek is, en omdat er notenbalken op getrokken zijn. Alleen al vanwege zo’n schoolbord met notenbalken en zo’n fijn stroef krijtje is mijn vak heerlijk. Je moet er alleen niet tegenaan lopen.

Laat me eindelijk vertellen wat er gebeurd is. Ik had mijn les prima voorbereid, alle leerlingen waren stil. Ze kregen een nieuw schriftje van mij, hartstikke leuk en old school vinden ze dat, net als dat schoolbord. Ik had schriftjes in wel tien verschillende kleuren. ‘Jongens,’ zei ik. ‘Ik ga mijn vingers niet branden aan wie ik welke kleur geef, dus regel dat lekker zelf, ik gooi die schriften hier op een stapel, ik loop weg, en als ik terugkom zitten jullie weer netjes aan je tafel, met een schriftje voor je neus waar je naam op staat.’ Ze hadden er zin in, ze stonden in de startblokken en ik ook. Ik gooi die schriften op de piano, draai me om en ren in volle vaart tegen mijn schoolbord.

Er was niemand die hardop lachte.


Twee dagen later zei iemand tegen me dat hij het nooit zou kunnen, lesgeven, dat hij het nooit zou volhouden op een school, en dat hij niet kon begrijpen hoe ik het volhield. Ik voelde aan mijn wang, net onder mijn oog, en zei dat ik het ook niet begreep.

vrijdag 14 november 2014

Koffiekamer (column Trouw 12 nov)

De koffiekamer is verbouwd, en niet zo’n beetje ook. Hij is twee keer zo groot geworden, je begrijpt niet hoe het kan. Tientallen bouwvakkers zijn er vier maanden mee bezig geweest. Een koffiekamer kan je het nu niet meer noemen, het lijkt meer op zo’n gestileerde koffietent op Schiphol waar hipsters met vederlichte laptopjes van hun frappuccino nippen. Alles is wit, grijs en rood, poepsjiek, de wanden zijn met bamboepanelen bekleed. Het plafond is zo hoog dat ieder formaat ego erin past. Centraal in de ruimte staat de aloude koffiemachine. Dit is het enige dat niet verbeterd is – de koffie is nog steeds vies.

Maar niet geklaagd, het is zo allemachtig mooi geworden dat heel veel leerlingen boos waren. Jaloers op onze bamboewandjes. Sommigen kwamen bij mij klagen. Waarom werd dat geld niet besteed aan computers, iPads, of een pooltafel? Het woord ‘verspilling’ viel. In zo’n geval hanteer ik altijd de tegenaanval. Ik zei dat ze niet zo zielig moesten doen, ik verdiende het volledig, dit paradijsje op aarde, want ik werkte op één enkele dag drie keer harder dan zij in een week. ‘Bovendien,’ sloot ik af, ‘moet ík hier nog dertig jaar doorbrengen.’ Zo, dat hakte er flink in. Sindsdien spreken deze leerlingen niet meer van ‘de lerarenkamer’ maar van ‘het pauperparadijs’.

De rector loopt overigens al weken te glimmen van trots, alsof hij de hele tent met zijn eigen handen gebouwd heeft, of nee, als de rijke oom die alles voor ons heeft betaald. Hij loopt ook onafgebroken rondjes door de ruimte om stoelen recht te zetten, kussens op te kloppen, en te kijken of het mooie hoge plafond nog nergens lekt. De eerste dagen wenkte iedereen hem om een bestelling door te geven – ‘ober, twee witte wijn en een mandje brood met olijven graag’. Omdat dit niet lang leuk bleef noemt men hem nu de ‘hoofdconciërge’, en als er iets kapot is, of als iemand geknoeid heeft met koffie, dan wordt hij er fluks bij geroepen.

Wat ook grappig is, en bijzonder verfrissend, is dat niemand meer weet waar hij moet zitten. De vaste tafelindeling is grondig door elkaar geschud. Er is al een wiskundeleraar aan tafel naast een dramalerares gesignaleerd, beiden keken verwilderd om zich heen. De grootste problemen manifesteren zich rond de nieuwe doorzitbank. De gymleraren dachten die wel even in beslag te nemen, maar een spijkerharde posse van docenten van de internationale school biedt dapper weerstand.

Er is één probleem waar zelfs de rector niets aan kan doen: die verrekte bel, die gaat gewoon nog steeds na een krap halfuurtje pauze, en dan moeten we weer naar onze muffe lokalen. Aldaar staren wij wezenloos naar het bladderende pleisterwerk en dromen van ons pauperparadijs.



dinsdag 11 november 2014

Bonje in de gang

Op weg naar mijn veilige, warme lokaal moet ik altijd een vreemde, bedreigende wereld doorkruisen: die van de bomvolle schoolgangen. Meestal gaat het goed. Wie ik ken groet ik, de rest negeer ik beleefd. Ik probeer tegen niemand aan te botsen. Kortom, het gaat net als in de echte wereld, op een gemiddelde koopavond, alleen is het een stuk drukker.

Bij de trap is altijd een opstopping. Een groep jongens dringt zich door de menigte. Ze dragen dikke donkere jassen en hebben allemaal hun haren tegen hun voorhoofd geplakt met wax. Ze vormen één bewegend lichaam, als een rups die zijn achterlijf intrekt en zich dan weer strekt, alleen gaat het heel snel en maken ze er veel lawaai bij. Het zijn bij nader inzien toch eerder vijf bizons dan één rups. 

Er worden ook stompen uitgedeeld, van het vriendelijke soort die je hooguit een week spierpijn opleveren. De voorste jongen struikelt, hij blijft overeind, de tweede valt half tegen een vuilnisbak aan, ook hij blijft overeind, maar de vuilnisbak valt om. De laatste van het groepje weet ik nog net te grijpen. Het is ook de langste. ‘Hé’ roep ik. Hij probeert zich los te trekken. In de drukte heeft hij misschien niet gezien dat het een leraar is die hem vast heeft.

‘Zet die bak eens overeind!’
‘Gast, ik heb toch niks gedaan!’ zegt hij.
De woede stijgt naar mijn hoofd. Oppassen. Rustig blijven.
‘Gast? Ik ben geen gast! Ik ben leraar, en ik vraag of je die bak overeind wilt zetten.’
‘Ik heb hem toch niet omgegooid! Dat deden hun!’
Hun ja. Hun zijn natuurlijk allang weg.
‘Zet die bak overeind. Hij ligt in de weg.’
Hij zet de bak overeind. Daarna vraag ik hoe hij heet en in welke klas hij zit. Ik krijg antwoord. Ik heb gewonnen, denk ik. Ik moest mijzelf opblazen tot kolossale proporties om deze halve overwinning binnen te slepen. Hij beent nijdig weg, en ik vraag mij af welke ziektes hij mij nu toewenst.
Ik ben ook nog steeds kwaad, nee, woedend, ik ga zijn ouders te bellen, de coördinator, de hele strontemmer ga ik over hem heen kiepen.

Als ik bij mijn lokaal ben is de woede al aardig gezakt. Ik controleer nog wel even in het smoelenboek of de jongen zijn echte naam heeft doorgegeven. Dat heeft hij. Hij heet Beer en woont in Katwijk. Op een of andere reden vervult mij dat met deernis. Ik besluit dat ik het er maar bij laat zitten. In de les zingt 6 vwo vijfstemmig een popsong, een beetje vals, daarna vertel ik over de liederen van Schubert. Niet de echte wereld is dit, nee, dit is de wereld zoals hij zou moeten zijn.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010