donderdag 29 mei 2014

Faust (column Trouw 29 mei)

Faust in het Muziektheater, allemachtig wat een spektakel. Krankzinnige beelden, heerlijke regie, superieure zang. Wereldklasse En het was nooit eerder tot mij doorgedrongen dat die muziek van Gounod zo goed is. Het allermooiste is echter dat ik het niet voor mijzelf gehouden heb, maar dat ik zesentwintig leerlingen uit 5 vwo en 4 havo bij me had. Voor een tientje per kaartje. Een tientje!

Ik doe altijd met genoegen verslag van kleine nederlagen, lachwekkende missers en jammerlijke mislukkingen. Maar als iets een keer verschrikkelijk goed gaat, dan kan ik dat toch ook niet voor mij houden - hoewel mijn enige verdienste in dit geval bestaat uit het feit dat ik het lef heb gehad die pubers mee te slepen naar een operavoorstelling van vier uur, inclusief een dramaworkshop in de middag.

Het woord ‘dramaworkshop’ jaagt me altijd de stuipen op het lijf. Bij ‘dramaworkshop’ denk ik aan een gesjeesde student van de toneelacademie die ons een gebakken eitje of een augurk-in-het-zuur laat imiteren, en die - als dat op weerstand stuit - gaat zuchten en zeggen dat hij nog nooit zo’n ongemotiveerde groep heeft gehad. En dat je dan nog twee uur door moet... Maar niets van dat alles! We speelden scènes uit Faust, we zongen het soldatenkoor, analyseerden de juwelenaria. Na afloop konden de leerlingen niet wachten om het echte werk te zien.

In de ietwat langdradige derde akte hadden sommigen een kleine inzinking (ach, wat zijn die stoelen toch heerlijk zacht), maar na de pauze werd iedereen volledig uit zijn stoel geblazen.
‘Het was echt gaaf, ik ben de tweede helft niet eens meer in slaap gevallen!’ zei Julia. Ik weet zo’n compliment op waarde te schatten, want de hemel weet hoe vaak ik heb gedommeld in het pluche van het muziektheater. Ik viel vroeger al in slaap als Wodans speer uit de coulissen prikte.


Waarom wil ik over deze Faust schrijven? Uit enthousiasme ja, maar ook omdat ik ongerust ben. Heeft het ministerie over tien, vijf, of zelfs twee jaar nog geld over dit soort educatieve projecten? Daar kunnen wij niet zeker van zijn. Het ‘leerproces’ bij zo’n project is niet meetbaar, er is geen zichtbare opbrengst, geen ‘rendement’. Maar wat niet meetbaar is kan nog wel zichtbaar zijn. Alleen al het beeld van zo’n vijftig soldaten (met uniformen waarin ze op reusachtige torren lijken) die zwaar gehavend terugkomen uit de oorlog, en die het magnifieke koor zingen terwijl ze verzorgd worden door barbies met verpleegsterskapjes. Een soort parodie op militairisme, machismo dat in zijn eigen staart bijt. Dit beeld herinneren ze zich hun hele leven. Is dat niet wat leren is: dat er iets beklijft, voorgoed, iets dat waardevol is en moeilijk te meten?

vrijdag 23 mei 2014

Allemaal geslaagd (column Trouw 21 mei)

Ik zit in het voetbaldoel achterin de sporthal. Op een podiumpje. Ik ben weer keeper en centrale verdediger tegelijk, drie en een halfuur lang. Ik kijk naar de ruggen van het hele 5 havo niveau. Het is mooi om te zien hoe iedere leerling het examen na ruim een week op zijn eigen wijze heeft geritualiseerd. Pennen rechts, eten en drinken links, papieren geordend, sommigen schroeven hun gele oordoppen in. Een eind verderop zitten Wietze en Barend, mijn mentorleerlingen, ze dragen de zweetbandjes die ze van mij gekregen hebben. Ik denk niet dat ze het ding bovennatuurlijke krachten zijn gaan toeschrijven, maar leuk vind ik het wel. Nu ja, misschien zweten ze gewoon als koeien. Het is warm.

Vlakbij mij zit Milan. Wat een boom van een kerel is dat geworden! Ik gaf hem nog les in de derde, lastige jongen. Zijn handen waren toen al twee keer zo groot als de mijne en zijn vingers altijd een beetje vuil. In zijn buurt gingen steevast dingen kapot: snoeren, gitaarsnaren, drumvellen, versterkers. Je kon hem nooit echt de schuld geven, zijn puberbrein kon dat omhoogschietende lijf gewoon niet helemaal onder controle krijgen. Dat morsige, dat vijftienjarige jongens kenmerkt, heeft hij van zich afgeschud, de vuistdikke gebruiksaanwijzing lijkt niet meer nodig. Totaal ongevaarlijk is hij geworden. Het is net alsof wij hem getemd hebben, zoals hij daar zit.

Op het tafeltje van Milan liggen de volgende versnaperingen uitgestald: drie stroopwafels, twee kruidkoekrepen, zes sultana’s, pakje Dextro Energy. Twee pakjes chocolademelk en een halve liter ice tea staan naast hem op de grond. Het valt me op dat havoleerlingen aanzienlijk meer etenswaren de zaal in slepen dan vwo’ers. Ik zie broodjes tonijnsalade, kaasstengels, bakken met nootjes. Zelfs een zak paaseitjes. Aan de vwo-kant overheerst een meer ascetische benadering: een flesje water en een ligakoek. Na een uur moet Hakan plassen. Het is een eind lopen, alle kandidaten waar hij langskomt kijken even op. Daarna spoelt een pisgolf door de havo-afdeling die drie kwartier aanhoudt. Havisten moeten vaker naar de WC dan vwo’ers. ‘Zelfs in de examenzaal zijn die havo-gasten nog bewerkelijker,’ zei de collega die steeds mee moest lopen naar het toilet.

Zo kijk ik langzaam de vijf in de klok. Het is nog steeds warm. Milan heeft nog drie sultana’s over. Ik bedenk ineens dat van deze kinderen een op de vijf niet in één keer zal slagen, want dat is ieder jaar zo, overal. Een ijzeren wet. Ik vind die gedachte op dit moment onverdraaglijk. Ik zie honderd gekromde ruggen, honderd harde werkers. Ik kan mij domweg niet voorstellen dat er ook maar één van hen dit examen niet zal halen. Het gaat er gewoon niet in bij mij, nee, geen twijfel mogelijk. Allemaal geslaagd.


donderdag 8 mei 2014

De Borrelpraat van Herman Koch (column Trouw, 7 mei)

Herman Koch heeft een hekel aan leraren. Dit laat hij weten in Trouw en De Morgen, in interviews ter promotie van zijn nieuwe roman. Stuk voor stuk zijn het zelfgenoegzame, praatgrage clowns, die leraren. 

Niet helemaal serieus te nemen natuurlijk, zo’n aanval van iemand die waarschijnlijk veertig jaar geleden voor het laatst een leraar in actie heeft gezien. Echter, Koch is de meest succesvolle Nederlandse schrijver van dit moment (Het Diner is in 33 talen verkrijgbaar), en als zo’n coryfee dit soort dingen zegt over mijn beroep, dan voel ik mij verplicht te reageren.

‘Mensen met een beetje persoonlijkheid worden geen leraar’, laat Koch in De Morgen optekenen. Zijn redenatie is ongeveer als volgt: leraren die een bloedhekel hebben aan het onderwijs, en er eigenlijk ongeschikt voor zijn, zijn vaak de beste leraren, omdat ze op een interessante manier vertellen en ‘persoonlijkheid’ bezitten. Leraren die wél geschikt zijn voor het vak zijn slechte en saaie leraren, die zichzelf te serieus nemen. Goede docenten zijn dus slecht, en slechte goed.

Kunt u de schrijver nog volgen? 

De enige goede leraar die Koch zich kon herinneren was er één die tegenover zijn leerlingen opsneed over zijn drankgebruik ‘we doen het rustig aan vanmorgen jongens, ik heb een hoeveelheid drank op waar een paard van zou omvallen’. Ja, echt een persoonlijkheid, zo’n man.

Ik geloof dat ik Koch zelf een beetje een praatgrage, drammerige leraar vindt die zijn gehoor niet weet te boeien en uit wanhoop steeds grotere wartaal uitslaat en grovere generaliseringen bedenkt. Maar goed, ik zal steekhoudende argumenten inbrengen tegen deze borrelpraat over leraren. 

Mijn eerste argument is de goedlachse Ronald van wiskunde. Misschien praat hij wat teveel (hij kan trouwens ook stevig drinken) maar hij zal zelfs Koch en zijn kinderen enthousiast krijgen voor wiskunde. Dan heb ik Jane, Jane die alle kinderen wil omarmen, de grootste schoft uit 5 vwo wil haar als moeder hebben en komt in de pauze een extra bijles scheikunde halen. Ruth, die net drie repetitieweekenden met het schoolorkest erop heeft zitten. Chris (geschiedenis), van wie de kinderen hopen dat hij de hele les zal vertellen, omdat ze dat veel leuker vinden dan in groepjes werken. José, die nauwgezet zoekt naar een opening bij een kind om liefde voor de Franse taal in te planten. En ik zet Cees in, bij wie de kinderen na een dramales huilend van het lachen naar buiten komen, en geloof me, hij laat eventueel drankgebruik van de avond ervoor beslist onvermeld.

Dit is het team dat ik opstel, en dan heb ik nog een stuk of wat dreamteams op de reservebank zitten. Benieuwd wie of wat Herman Koch daar tegenover stelt. Gewoon excuses zijn trouwens ook goed.


maandag 5 mei 2014

Shakespeare, Drugs, Mozart (column Trouw 30 april)

Eens per jaar moet ik het in de mentorles over drugs hebben. Er scheen ditmaal enige urgentie te zijn, men zei dat blowen weer in was. Blowen was in, en ik wist weer eens van niets. Ik kijk nooit echt uit naar die lessen over drugs, misschien omdat ik zelf een wereldvreemde braverik ben die nooit geblowed heeft. Maar wat moet, dat moet. Het is ten slotte werk.

Ik besluit een groepsdiscussie te organiseren. Ook iets heel griezeligs, maar ik doe het. Twee rijen stoelen tegenover elkaar, ik lees steeds een stelling voor. Wie het eens is met mijn stelling gaat ergens op de rij links van mij zitten. Oneens zit rechts. Als iedereen zit geef ik de partijen om beurten het woord. Mijn taak is verder beperkt tot het in goede banen leiden van het debat.

Daar zitten ze. Ze weten nog niet wat gaat komen, ze weten niet dat ik ze langzaam, via ongevaarlijke vragen over schoolzaken, gezondheid enzovoort naar die drugs leidt. Mijn eerste stelling is bedoeld als opwarmertje. Het krukkige Engels moet u er maar bij denken.
‘Dit is de geboortedag van Shakespeare. Iedereen behoort tenminste eenmaal in zijn schoolcarrière iets van Shakespeare gelezen te hebben. Eens links, oneens rechts.’
Na wat geloop zitten er vier leerlingen links van me, en twintig rechts. Justin, een jongen van Maleisische afkomst, is één van de vier voorstanders. Moedig neemt hij het woord, in onkreukbaar Engels.

‘Shakespeare heeft onze taal gedefinieerd, de manier waarop wij praten, onze toneeltraditie en onze cultuur.’ 
Heel even lijkt men met stomheid geslagen door zoveel wijsheid. Dan halen de tegenstanders hun botte bijlen tevoorschijn. 
‘Shakespeare is saai, niemand leest hem voor zijn plezier, hooguit some weird teachers. En waarom Shakespeare? Er zijn zoveel schrijvers!’ 
‘Noem er dan eens een paar?’ verweert Justin zich, maar ook dat wordt weggewuifd. 
‘Boeien! Er zijn er wel honderd!’ 
Shakespeare wordt vermorzeld door een bende zestienjarige barbaren, en ik ben machteloos. Ik heb dit zelfs geënsceneerd, ik heb die stoelen immers zo neergezet.
Alles van waarde is weerloos, zingt de zeer oude in mijn hoofd, en iedereen die waardevolle dingen verdedigt is nog weerlozer.

Er wordt verder gedebatteerd volgens mijn draaiboek, over frisdrankautomaten in school, over roken op het plein, en ja, uiteindelijk over blowen. Ik lees mijn stellingen voor, maar mijn gedachten dwalen steeds af. Shakespeare, denk ik steeds, ach Shakespeare. Shakespeare is toch veel belangrijker dan die paar blowtjes hier en daar? De volgende les heb ik 5 vwo. Die moeten leren over de Weense Klassieken. Dat is mijn terrein. Ik weet niks van drugs, weinig van Shakespeare, maar alles van Mozart. Ik kan ze toch gewoon vertellen dat Mozart een genie is en zijn muziek ongeëvenaard en onmisbaar? Daar hoeft toch geen discussie over te zijn? 

Shakespeare is zojuist voor mijn ogen gestorven, maar alle bliksems, dat zal Mozart niet overkomen!



Gerwin in DWDD 28 januari 2010