zondag 28 november 2010

Wie dit leest is gek

Dick Swaab is hersenonderzoeker. Daarnaast is hij succesauteur en een gelukkig mens. Vermoed ik. Een gewaardeerd mens is immers een gelukkig mens. Toch is het succes van zijn boek “Wij zijn ons brein” als je het mij vraagt niet louter te danken aan het feit dat het een goed boek is. Ik weet bijna zeker dat de Swaabs niet aan te slepen zijn omdat men er een zoekjezelfboek in ziet. De titel geeft namelijk een uiterst eenvoudig antwoord op de uiterst moeilijke vraag “Wie ben ik?” In het boek staat hoe het brein werkt, dus wie het leest weet wie hij is, en waarom hij een volslagen idioot is. Soms. Vaak. Dit is overigens precies wat ik hoop te weten te komen wanneer ik een boek opensla, welk boek dan ook.

Er staat een aardig hoofdstuk in Swaabs boek over het puberbrein. Pubers hebben een nog niet ontwikkelde prefrontale cortex. Ze kunnen niet plannen. Ze missen morele kaders. Nieuw is het eigenlijk niet, er bestaat al een boek over het puberbrein, met daarin globaal dezelfde inzichten als Swaab, alleen is dat boek van jongerenwerkers en niet van een neurowetenschapper. Neurobiologie is hot, en Swaab is haar profeet.

Ik liet leerlingen uit mijn 4e klas het hoofdstuk over het puberbrein lezen. Ik zei “het gaat over jullie, vertel me wat je ervan vindt.” Dat laatste zei ik erbij omdat ik weet dat je pubers altijd moet vragen wat ze ervan vinden. Ze voelen zich dan gekend en gewaardeerd. En een gewaardeerde puber is een... enz. Ze vonden ze helemaal niets! En niet eens uit luiheid, zo leek het. “Kom op” riep ik, “je vrije wil is in het geding! Je laat je wegzetten als een hoopje muitende hormonen in een beperkt brein?” “Als het zo is, dan is het zo,” zei ‘r één.

Ik had verwacht: een puber op een onrijp brein wijzen is net zo riskant als je vrouw vragen of ze ongesteld is, nadat ze een sokkenbolletje naar je kop heeft gesmeten, vergezeld van de mededeling dat je voortaan zelf links en rechts maar bij elkaar zoekt. Wie zo roekeloos is kan alvast bukken voor de strijkbout. Begrijp me niet verkeerd, ik strijk zelf, en ik heb enkel linkersokken. Hoe dan ook, de soevereiniteit van Swaab in het hol van de leeuw was opmerkelijk. Of hadden de pubers een "wie dit leest is gek"-ervaring? Als je het hebt gelezen is het al te laat. Verweer is zinloos. Als het zo is, dan is het maar zo.

Jammer genoeg eindigt Swaab het hoofdstuk met een belegen dooddoener: “Het is een geruststellend idee voor ouders dat er een einde zal komen aan het pubergedrag.” Ten slotte stelt hij dat het ondraaglijk moet zijn voor leraren dat er voor iedere puber die zich eindelijk gaat gedragen een jonge, verse puber binnenkomt. “Voor hen houdt het nooit op.” Nou Herr Doktor Swaab, welkom in de grotemensenwereld, waarin leraren almaar lesgeven, politiemensen boeven vangen, dokters mensen beter maken, bejaardenverzorgers oudjes verzorgen ook al blazen ze bij bosjes de kraaienmars, waarin loodgieters lood gieten (als het hen behaagt te komen opdagen) en een ieder het zijne bijdraagt aan de grote onbegrijpelijkheid der dingen opdat het leven zijn eindeloze en tragische gang kan gaan. Dr. Swaab, ga verder met uw hersenonderzoek, ik wacht met spanning op nadere verklaringen voor mijn doodnormale dagelijkse waanzin.

Overigens moet iedereen dit boek lezen.

maandag 22 november 2010

Poeplogica

We waren negen, of tien, en als we niet sliepen of meisjes knepen, dan voetbalden we. Soms (op lange schooldagen) in gedachten in grote stadions, vaak in het echt, op het drollenveldje bij de vijver. Op een dag was er een nieuwe jongen, een onbesuisd stuk vreten dat niets anders kon dan in je bijten en de benen onder je wegmaaien.

Op een kwaad moment maakte hij op knullige wijze een eigen doelpunt. Eerst keek hij ons aan als een vale gier, toen begon hij te juichen en zijn medespelertjes in de armen te vliegen. “1-0 voor ons!” riep hij luid in onze richting. Hij had immers gescoord en hij hoorde bij die partij dus het was 1-0 voor hem. Wij vonden zoveel opzichtige domheid wel vermakelijk. Tot het moment dat de andere jochies uit zijn team ook begonnen te roepen “1-0 voor ons, 1-0 voor ons”. De opportunistische etters – sommige van hen noemden zich vrienden - omarmden zijn dwaalleer, en wij stonden machteloos. Om aan te tonen dat zijn redenering niet deugde pakte ik de bal en schoot hem in ons eigen doel. “Dan is het nu dus 1-1”, zei ik. Het Ungeheuer keek mij aan alsof ik zijn middagmaal was en begon daarop opnieuw te juichen. “2-0 voor ons schreeuwde hij, hij vloog een van mijn ‘vrienden’ om de hals, gaf hem een vriendschappelijk beetje in de nek. Zijn hele ploegje juichte mee.

Ik leerde dat logica weerloos is tegen de macht van de corrupte redenering.

Deze week hoorde ik in de commotie rond de boevenbende van Geert een gruwelijke drogredenering opduiken, meer dan eens zelfs, die ter verdediging van criminele PVV-kamerleden aangevoerd werd: “het is toch een volksvertegenwoordiging? Zulke mensen heb je toch in het volk? Nou dan!” Ik wilde wel zeggen dat je dan misschien ook een paar zuigelingen, demente bejaarden, analfabeten en minstens één werkloze bloemsierkunstenaar in het parlement moest zien te krijgen, maar ik dacht aan mijn reguliere 1-1 op het trapveldje, en voelde de 0-2 al in de lucht hangen: “Dude, Gast, chill man, d’r zitten alleen maar demente bejaarden in die regering van baby Rutte en die grafbloemist Verhage”, waarna ik zo iemand weer half gelijk moet geven, en dan is het kwaad alweer geschied.

De corrupte redenering, de poeplogica, wint terrein, het internet staat er vol mee, niemand schaamt zich er meer voor zich van haar te bedienen. Ik ben er bang voor, ik heb geen weerwoord, ik wend mij er van af. Ik denk dat daar een levensgroot gevaar in loert.

Afgelopen week hoorde ik dit passeren, in de eigen werkkring nota bene, van iemand die gezien de verkregen bevoegdheden heus haar school moet hebben afgemaakt: “Dat Nederlands Kamerkoor moet toch gewoon afgeschaft worden. Het is toch belachelijk dat de Tweede Kamer een eigen koor heeft?”

Ik was te verbijsterd om in de lach te schieten.

maandag 15 november 2010

Splinters

Rinus Leenman zag zijn naam staan op een bankje in het park. Dat wil zeggen, in een flits meende hij dat te zien: zijn naam, gekerfd in de rugleuning. Hij kwam dichterbij. Het was donker, koud, en hij had een paar borrels op. De straatlantaarn die naast het bankje stond wierp een kil, wit licht.

Hij had zich vergist, het was niet zijn naam. Er stond: “Kanker Jonas Leenman” in keurig uitgesneden blokletters. Er was werk van gemaakt. Hij bleef er een tijdje naar staren, alsof hij verwachtte dat de letters zichzelf uit schaamte zouden uitwissen nu ze eenmaal gezien waren. Jonas, mijn zoon, dacht hij, Jonas mijn zoon mijn zoon.

Hij hoorde voetstappen achter zich. Snel ging hij zitten , met zijn rug tegen Jonas Leenman, de arm losjes over Kanker.

Een man trok een hond achter zich aan. De hond bleef dralen bij het bankje. Hij snuffelde aan Rinus’ schoenen. Als de man het idee kreeg ook te gaan zitten, dan zou Rinus moeten opschuiven. En dat wilde hij niet, dan moest hij de naam van zijn zoon prijsgeven.

Jonas was dertien en zei nooit iets.

De man groette en trok zijn hond verder. Er zouden meer mensen komen, met of zonder hond, vanavond, en morgen, overmorgen. Hij zocht door zijn zakken, vond een oud zakje Fisherman’s Friends. Hij wurmde er een pastille uit, stak hem tussen zijn lippen. Het snoepje had te lang in de zak gezeten, het was smakeloos en futloos, een harde kiezel die uiterst traag oploste in zijn mond.

Er kwam nog een man voorbij, hij had een sigaret in de mond en groette niet.

Rinus voelde de kou aan zijn voeten vreten, zijn achterwerk verstenen. Waarom was hij geen roker? Hij had er wat voor willen geven een roker te zijn. Alleen rokers konden op bankjes hangen zonder al te veel argwaan te wekken. En hij zou hier nog wel een tijdje zitten. Hij zou moeten wachten tot er iemand langskwam met een beitel, een motorzaag of een dopsleutelset.

De pastille sleet op zijn tong af tot een scherf. Hij beet erop. Splinters verspreidden zich in zijn mond, zochten een zacht plekje om zich in te boren. Hij boog voorover, spuwde de splinters uit. Gauw drukte hij zijn rug weer dicht tegen zijn zoon aan, tegen zijn naam althans. Hij blikte omhoog, staarde in het licht van de lantaarn, probeerde daarachter de nacht te zien, en tot hoe ver die reikte.

maandag 8 november 2010

Het sterven in Rotterdam-Zuid

Het regende en het was november toen mijn oma doodging. Geen groot verhaal. Geen regenbogen. Grote verhalen waren niets voor haar. Het was in Rotterdam-zuid, in een gebouwtje met zielloze kamers en bedden die zijn gemaakt om in te sterven.

De verpleging van het sterfhuis belde. Het was elf uur ’s avonds, ik zou gaan en ik zou er blijven tot mijn moeder arriveerde. Mijn moeder, haar enige dochter, woonde veel verder weg.

Ze herkende me, haar gezicht lachte. Ze zei niets. De zaalbroeder gaf mij de raad gewoon maar wat te vertellen, “voor de afleiding”. Dat is wat ik deed. De dood afleiden. Ik zat daar te doen alsof het helemaal geen uitgemaakte zaak was dat ze dood ging, dat het nog alle kanten op kon, erger nog: ik zat het voor haar verborgen te houden. Misschien had nog niemand haar verteld dat ze die nacht dood zou gaan. Dan kon ik toch niet degene zijn van wie ze het hoorde? Wat had ik er nou verstand van? Niets wist ik van doodgaan. Mijn lieve oma was mijn eerste stervende.

Ze wenkte, reikte naar een beker water. Ik liet haar drinken, door een rietje. Ik dacht: ach, het gaat alweer wat beter, ze drinkt. Ik zei het al, ik wist niets. Ik wist niet dat water het laatste is waar stervenden nog om vragen, water om hun mond vochtig te houden. Behalve water wilde mijn oma nog iets, ze wilde mij vasthouden, ze zei het niet, ik voelde het, misschien trok ze aan mijn arm, ik weet het niet meer. Ik boog mij voorover, wist niet goed waar ik mijn armen moest laten. Mijn hoofd drukte in haar sterfkussen.

Het was meer dat zij mij vasthield dan ik haar, ze klemde haar knokige armen om mijn nek. In die ongemakkelijke houding bleef ik lang staan, in verwarring of ik degene was die troost moest bieden in die omhelzing, of dat mij verder geen andere rol was toebedeeld dan ontvanger, dat ze wilde dat het laatste restje leven dat in haar zat niet in dat bed zou wegzakken, maar dat het mij zou toekomen.

Van oudsher wist zij van afscheid nemen een omstandigheid te maken. Alles draaide om uitstel. Als ik haar een bezoek had gebracht nam ze vijf keer afscheid: in de kamer (2 pakkerds), bij de deur (3 pakkerds), roepend in het trappenhuis, zwaaiend met een kussentje uit het raam, en als ik thuis was moest ik de telefoon drie keer over laten gaan.

Ik zal deze dingen niet vergeten.

Ik herinnerde mij hoe ik twee jaar daarvoor hijgend naast haar scootmobiel snelwandelde, soms moest ik een paar passen rennen. Het was haar eerste rit. Ze moest oefenen, van de verpleging. “Nu hebben we zo’n mooi wagentje voor u geregeld, nu moet u het ook wel willen leren hè mevrouw Vink?” Verstijfd van schrik zat ze op de skylederen zitting, haar handen als hydraulische klemmen om de hendels. Nog nooit in haar leven had ze een gemotoriseerd voertuig bediend. Ik verloor terrein. “Loslaten” riep ik, “loslaten, dan remt-ie vanzelf!” Ze verdween om de hoek, in de richting van de Pleinweg.

maandag 1 november 2010

Hij komt! Hij komt!

Met het verschijnen van de eerste pepernoten word ik altijd bevangen door een hardnekkige najaarsmoeheid. En de pepernoten waren verrekte vroeg dit jaar. De moeheid dreigde op een depressie uit te lopen toen ik vernam van de nieuwe film van Dick Maas, SINT. Waarom een Sinterklaashorror? God legge het uit. In tijden waarin Tragiek zich vermomt als ordinaire belletjesleller wil Gerard Reve mij wel eens tot troost zijn: “Ik vind dat de mens geschapen is om tot volle wasdom te geraken, en niet om zijn leven lang een stoute jongen te blijven”. Dick Maas, stoute jongen. Ik vermoed dat hij er fier op is. Mag-ie? Het is nog een heel werk anders hoor, zo’n film maken. Toch word ik een beetje boos op Dick: is dan zelfs de kinderwereld niet meer heilig? Sinterklaas is Slecht. Het zal hem blijven aankleven, net als die scène uit Jiskefet met Hans Teeuwen als Sinterklaas, die mij overigens in abjecte gruwel niet te overtreffen lijkt (“er zijn verschillende manieren op Sinterklaas weer vrolijk te maken...”). Maar maakt het onze kinderen wat uit? Bas Haring stelde deze week in Trouw bij deze kwestie de juiste vraag: “Waarin verschillen kinderen van ons, en hoe houden we daar rekening mee?”

Die vraag is gemakkelijker gesteld dan beantwoord, maar ik denk dat ironie er een rol in speelt. Kinderen kennen geen ironie, en nee, daar houden wij vaak geen rekening mee.

Ironie geeft het genot van de onaantastbaarheid, van de eigen superioriteit, en verschilt daarin niet van cynisme, de uiterste en zo je wilt pathologische vorm ervan. Cynisme is de levenskunst van hen die besloten hebben nooit meer de dupe van iets te worden, door ons voortdurend te onthullen dat het goede niet bestaat. De cynicus kan in zijn angstig verlangen naar zekerheid nooit meer bedrogen worden, want hij rekent erop dat niets is wat het is.

Een paar jaar geleden zong ik “Short people (got no reason to live)” van Randy Newman met een (engelstalig) klasje 11-jarigen. Sommigen (de kleinsten) waren beledigd, anderen begrepen ternauwernood dat het een grap was. Het voelde alsof ik vierjarigen uitlegde dat Sinterklaas een verklede man is. Wat een onmens, die er genoegen in schept kinderen te onthullen dat in de volwassen wereld niets is wat het is, dat ze voortdurend bedrogen worden. Ja jongens en meisjes, wij grote mensen bestrijden onze angst door niets serieus te nemen. Wij vermommen onszelf als stoute jongens. Lachen hè?

Tegen de tijd dat die kinderen vijftien zijn zullen ze in de ironie een geducht wapen hebben gevonden waarmee ze zich af kunnen schermen, en tegelijk een zekere wereldwijsheid tentoon te spreiden die hen aanzien verschaft. Ze keren zich tot cult en camp, tot South Park en andere superieure vormen van ironie. Kijk hoe op Facebook de ironie door jong en oud wordt gevierd als een eredienst waarin wij worden uitgenodigd alles ‘leuk’ te vinden.

De film SINT is een fraai staaltje über-ironie (“Hij komt, hij komt!”). De film vat daarmee de tijdgeest. Mijn dochter (6) zal even uit balans zijn bij het zien van de filmposter, maar zal het beeld snel terzijde schuiven omdat haar zekerheden nog onwrikbaar zijn. Bij mijn zoon (9) zal het blijven hangen, en ik zal moeten uitleggen dat het een grap is. Zo laat ik zien dat de wereld van de volwassenen kinderlijk is, met dit verschil dat niets er heilig is, dat alles om te lachen is. Dat zij is beroofd van ernst. De ernst van sprookjes, van Sinterklaas, van jarig zijn, van bijbelverhalen, van alle mooie verhalen, van al het onbegrijpelijke dat ons hart doet kloppen en ons verwarmt van binnenuit. Ik heb soms zo genoeg van alle ironie, al die leut die ons met een vette knipoog in de armen van het cynisme jaagt. Misschien moet ik op mijn weg naar het einde net als Reve wel katholiek worden. Miserere nobis.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010