zondag 27 juni 2010

Drek

Een jonge student Engels aan de VU heeft op Recensieweb.nl mijn boek gekraakt. Dat is zijn goed recht. Ik wil ook best geloven dat de knul te goeder trouw is, hij doet heus zijn best. Je ziet hem als het ware op zijn pen kauwen. Hij haalt Aristoteles er zelfs bij, hetgeen mijn lachlust nog heel even opwekte. Hij spreekt zichzelf tegen en hij citeert verkeerd, maar dat maakt niet uit, want het is internet. Het eindoordeel van de jongen is één ster, wat zoiets moet betekenen als ‘de fik erin’. Ik moet mij daar niet druk om maken, ik doe het toch. Het voelt alsof iemand door het WC-raampje mijn huis binnen is gekropen, een druk heeft gedaan, daarna met vieze voeten door mijn kamer is gelopen, om weer door de achterdeur te verdwijnen. Een tijdlang kan je niets anders dan er vol ongeloof naar staren, met een vreemd soort beklemming in je maag die je misselijk maakt. Recensieweb is een oefenhok voor letterenstudenten met ambities in de literaire kritiek, een initiatief dat ik toejuich. Maar ik ben ondertussen mooi klaar met die jongen. De drek kleeft wel aan me. Het stinkt, ik voel schaamte, ik kan er niet van slapen.

zaterdag 19 juni 2010

Bier 1 euro

Ik zie twee Vlaamse gaaien in de dakgoot. Daaronder, de biertent. Op het schoolfeest kost bier 1 euro. Zo te zien vinden veel ouders dat een goede reden hier te zijn, op het schoolplein van de St. Josephschool. Nog een goede reden: er is toch geen voetbal tussen vijf en acht uur. Bij mij op school is drank taboe op feesten, daar moeten de kinderen thuis aan hun kostje komen, of een petfles bacardi naar binnen smokkelen om de cola mee te versnijden. Gedoe.

Maar dit, dit is het Schoolfeest van de St Josephschool, groep één tot en met vijf, en dat staat al jaren in de buurt bekend als een ruig feest. Wat die gaaien hier moeten is mij een raadsel. Mijn euro brandt in mijn zak, ik bestel vlug een biertje. Naast mij bestelt een vader er twaalf. Dat is tenminste wat ik versta, “tuwaaf”, maar ik ben wat later gekomen, dus waarschijnlijk is hij al een metertje bier verder dan ik. Het is zes uur, het plein is stampvol, kinderen zijn nauwelijks zichtbaar in het gekrioel van drinkende ouders. Een hele hoop kleuters is in het klimrek gevlucht, het lijken net of ze voor een overstroming zijn gevlucht. Moeders verkleed als meisjes drinken rosé die qua kleur niet van de aanmaaklimonade is te onderscheiden. Het stemgeluid is oorverdovend, alsof al die mensen een Vlaamse gaai hebben ingeslikt die het woord voor hen voert. Ik zie hoe een papa zijn zoon aanmoedigt een slok van zijn bier te nemen. Ik zie hoe het jochie zijn best doet het niet smerig te vinden. Het Grote Kwaad begint met toegeeflijkheid, dacht ik altijd, ik had het mis, het Grote Kwaad begint met Flauwe Grappen.

Ik raak verzeild in een duet tussen een leraar en een advocaat. Je kan wel raden waar het gesprek over gaat, het is immers bijna zomervakantie - voor de leraar, en dat moet hij bezuren. Als de goede man ten einde raad is, stelt hij voor bier te halen. “Van jou salaris?” grapt de advocaat in de richting van de smalle, gebogen rug van de leraar, een rug die weet wat incasseren is. Ik kijk omhoog, de gaaien zijn weg. De advocaat vertelt mij dat hij hier een paar uur inkomsten staat te derven. Dat heeft hij voor zijn kinderen over, hoewel het niet altijd meevalt. In paniek vraag ik in welke klas zijn kinderen zitten. “Ah, in groep één, heb je makkelijk een plek kunnen krijgen?” vraag ik. “Beetje pressie”, zegt hij. “Jaja” zeg ik. Pressie? Ik heb geen flauw benul waar hij het over heeft. Ik zeg “Ja, je moet je kind hier bij voorkeur aanmelden...”, “...vóór de conceptie” vult hij aan. Ik had willen zeggen “als je geslachtsrijp bent”.

Het hoort er allemaal bij, net als het bier voor een euro en de zingende directeur op het podium met zijn vierentwintig juffen -“Mr Pimp en zijn bitches” zegt de advocaat, hij monstert mij om te kijken hoe die opmerking valt. “Welnee, getrouwde Gaylord” zeg ik. Zijn strakke mond trekt scheef, ik kan die blik niet peilen. Denkt hij dat ik hem bedoelde? Een paar juffen zijn verkleed als biermeisje, misschien moet ik daar een opmerking over maken om hem gunstig te stemmen. Nee, ik stop ermee, hoe haal ik het in mijn hoofd mij altijd dienstbaar te maken aan perfide gesprekspartners? Met een goedgeplaatst “waar is die kleine meid eigenlijk?” ben ik direct van hem los.

Gelukkig heb je op zo’n schoolfeest altijd een kind om je aan vast te klampen. Ik besluit dat wij thuis veel beter tot ons recht komen, en voor een zakje snoep en broodje knakworst is zij het met mij eens.


donderdag 10 juni 2010

Wilt u mij het land uit?

“They want me out of the country sir” zegt de jongen. Hij is zestien, één meter zeventig in het vierkant en hij komt uit Algerije. Bij “they” wijst hij in de richting van de centrale hal van de school, waar een paar honderd kinderen zich verdringen. Hij heeft PvdA gestemd bij de scholierenverkiezingen, en behoort daarmee tot een minderheid. Wilders was de grote winnaar bij de scholieren.

Ik wil zeggen dat hij het niet zo somber moet inzien, dat het maar om een kwart van al die kinderen gaat. Ik slik de woorden in. Een kwart dat hem het land uit wil: ik kan mij voorstellen dat het niet zo opbeurend klinkt als ik het bedoel. Ik kan ook zeggen dat 'ze het vast niet zo menen', of dat Algerije vast en zeker wereldkampioen voetbal wordt. Je kan van alles zeggen. Ik kijk de jongen aan, zijn ogen liggen diep, hij heeft zware, boven zijn neuswortel doorlopende wenkbrauwen die in oude rassenleren voor misdadig doorgaan. Ik heb ook zulke wenkbrauwen. Afgelopen week was hij de Schrik van Sportdag, hele voetbalteams weken voor hem uiteen. Ik niet, ik zette een blok, tachtig kilo Algerijn viel op volle snelheid over mijn voet. Het was een grap, want ik was eigenlijk de scheidsrechter. Hij stond lachend op, we deden allebei alsof we geen pijn hadden. Sindsdien kan ik het goed met hem vinden, al voert hij nog steeds niets uit in de klas.

“Well, I sometimes want you out of the country too,” zeg ik, “like when you play football, you criminal.” Ik sla mijn arm om zijn nek en trek hem het klaslokaal in. Als iedereen eindelijk zit vraagt hij “Sir what will you vote?” Pas nu besef ik dat ik ook besmet ben, ik zal zonder ophouden moeten laten blijken dat ik aan zijn kant sta, dat ik hem en al die anderen beslist niet het land uit wens, maar dan zonder het te zeggen. Zonder het te zeggen ja. Moet ik dat uitleggen? Probeer maar eens hoe dit zinnetje werkt: "Nee hoor, ik vind je helemaal niet lelijk". Omzichtigheid geboden. Ik zal er een dagtaak aan hebben. Deze jongen zal – net als duizenden anderen – vanaf vandaag iedere blik die zijn kant op gaat beoordelen: wil die mij het land uit? Ik zal met steelse blik terugkijken: denkt-ie dat ik hem het land uit wil?

Ik krijg de somberheid niet uit mijn kop.

maandag 7 juni 2010

Kies een nieuw onderschrift

A “ Zal ík anders een recensie schrijven in het personeelsblaadje? “

B “ Joh, de verjaardagen van mijn tantes komen eraan, dat zijn zo weer vijf exemplaren! “

C “ Word je nu zo’n schrijver uit een Peter van Straaten strip? “

D ..... (vul zelf in)

Gerwin in DWDD 28 januari 2010