vrijdag 26 juni 2015

Een heel raar boek (Column Trouw 24 juni)

Heel 4-havo moest mijn boek lezen, mijn tweede roman ‘Wild’. Dit hadden de leraren en leraressen Nederlands bedacht, ze gingen er zelfs een proefwerk over geven dat voor het examen meetelde. Meetellen voor het examen, dat is de grootst denkbare eer voor een schrijver. 

In alle klassen gaf ik voor de aardigheid een gastles. De havisten vroegen of het bos dat ik beschrijf echt bestond, en het dorpje, en de mensen, en of er dingen echt gebeurd waren. Ik zei dat ik alles had verzonnen, en op een of andere manier schaamde ik mij daarvoor.

‘Ik vind het wel een heel raar boek,’ zei een meisje achterin.

Volgens optimisten is het literatuuronderwijs niet dood, het ruikt alleen maar een beetje vreemd. Kun je nagaan wat de pessimisten vinden. Iedereen klaagt over de staat van het literatuuronderwijs, en dat al tientallen jaren. In onderzoeken gebruikt men woorden als ‘leesattitude’ en ‘leeszwakke leerlingen’. Van zulke woorden ga ik stil in een hoekje zitten huilen.

In het licht daarvan moet je onderstaande gebeurtenissen misschien een wonder noemen.

De dag voor het proefwerk literatuur hing een plukje jongens in de hal. Eén maakte zich los uit het plukje. Hij kwam dreigend op me af.
‘M’neer, ik heb een vraag over uw boek. Zitten er open plekken in?’
Ik stamelde dat ik niet wist wat hij bedoelde. Hij legde het korzelig uit. Intussen had een groepje meisjes zich aangesloten.
‘M’neer, wat is het thema en het motief?’
‘M’neer, wat is er met de vader gebeurd?’
‘M’neer, wat bedoelt u met dat konijn? Waarom gaat dat konijn dood?’
Op niet alle vragen wist ik direct een antwoord.

‘M’neer er staat twee keer ‘hoofdstuk 35’ in. Heeft u daar een bedoeling mee?’
Ik zei dat het een drukfout was.
‘O, ik heb ook een drukfout gezien!’ riep een meisje. Ze wees de drukfout aan.

De dag van het proefwerk was het nog drukker. Havisten stonden te dringen voor de koffiekamer, allen moesten mij wat vragen. Annet, mentor van 4 havo, vertelde dat er whatsapp-groepjes waren rond het boek. Ze liet het zien. Honderden appjes over motieven, vertelsituatie en open plekken. De laatste die ik las: ‘Nou, ze kunnen niet zeggen dat we niet met dat boek bezig zijn!’

Over een paar dagen, als de cijfers bekend zijn, verwacht ik opnieuw ophef. Alle onvoldoendes zijn natuurlijk mijn schuld (‘Hij wist zelf ook geen open plekken!’). Tot die tijd geniet ik van het idee dat het literatuuronderwijs even springlevend was. Een wonder? Ik denk het niet, ik denk dat het overal kan. Kies een boek uit dat iedereen moet lezen, nodig de schrijver uit en boven alles: laat hem een dagje rondhangen in de gangen, liefst vlak voor het proefwerk. Goud!


zaterdag 20 juni 2015

Wij zijn saai (column Trouw 17 juni)

Het was warm. In de koffiekamer probeerde ik het folie van een bekertje halfvolle melk te pulken. 
Ondertussen las ik in de krant dat VVD-kamerlid Duisenberg vond dat meer dan de helft van de leraren saai en totaal niet inspirerend zijn. Ik zette de melk neer en keek om mij heen of er nog iets anders te drinken was, iets minder saais. Een wodka-martini of zo. Naast mij stond een collega een theezakje op en neer te bewegen in heet water.

‘We zijn saai,’ zei ik. ‘Het staat in de krant.’

De collega haalde het theezakje omhoog, liet het even uitdruppen en kneep het voorzichtig uit boven zijn bekertje. Ik zag donkere plekken onder zijn oksels. Ik dacht: misschien heeft die Duisenberg wel een punt. Ik liep ruim voor de bel terug naar mijn lokaal terwijl ik nadacht of mijn volgende les niet te saai zou zijn. 

Zo tegen het einde van het schooljaar wordt een les een tijdseenheid die alleen tot doel lijkt te hebben de naderende vakantie mooi uit te lichten. Alle leerlingen zijn door het fraaie weer veranderd in recreanten, en ik moet doen alsof er belangrijker dingen zijn dan warmte en zon op je gezicht. En die zijn er natuurlijk niet.

Een eerste groepje meisjes kwam de klas binnen
‘Warrum hier! Pffff.’
Opzichtig gewapper met de handen.
‘Meneer, gaan we wat leuks doen?’
‘Ja, niet iets supersaais hè?’
Ik wist niets te zeggen. Ik wenste dat het VVD-kamerlid Duisenberg er was om mij iets inspirerends in te fluisteren. Een tweede groepje meisjes:
‘Jemig, ik stik zowat!’
‘Mogen wij onze waterflesjes vullen meneer?’ 
Ik zei dat het mocht, als ze snel waren.
De jongens kwamen binnen, met zo’n cool loopje, allemaal tegelijk, bezweet, want ze hadden voor de les nog even gevoetbald of elkaar geslagen met hun tassen.
‘Zooo, wat meurt het hier! Zullen we naar buiten meneer?’
‘Jaaaa, buiten les meneer.’
Ik stond vurig te hopen op regen.

Vroeger durfde ik gemakkelijker zo’n buitenles aan. Gitaartje mee, beetje zingen. Experimentele slagwerkstukken maken met takken, sleutels, blikjes, lantaarnpalen. Nu had er niet zo’n zin in. Ik moest nog proefwerkstof uitleggen. En ik wil collega’s niet tot last zijn, enz. enz.


In tijden van saaiheid klamp ik mij vast aan successen uit het verleden. Ik kreeg ooit een cadeautje van een meisje uit de zesde, een strandhanddoek met daarop de tekst geborduurd ‘Gerwin, great inspirator’. Lief en ontroerend, al durf ik me er zelfs binnenshuis niet mee af te drogen. Maar soms kijk ik er even naar, op zo’n dag als vandaag. Want je kan zeggen wat je wilt, maar ík heb zo’n handdoek, en kamerlid Duisenberg van de VVD niet. Zo, nou hij weer.

vrijdag 5 juni 2015

Filmpje (Column Trouw 3 juni)


Aan het einde van de schooldag zet ik de tafels en stoelen recht, een werkje dat precies onnozel genoeg is om prettig te zijn na zo’n dag. Het schuiven van de stoelen over de vloer, de tafels die tegen elkaar ketsen, het zingen van de gitaarsnaren als ik ze rechtzet in het rek, zo vertrouwd zijn alle geluiden, dat het een stil verbond wordt tussen mij en mijn lokaal.

Er komen drie brugklasmeisjes binnen. Ik ken ze niet, ze zijn niet uit mijn brugklas, maar ze zien er lief uit. Een van hen vraagt beleefd of ze het lokaal mogen gebruiken voor een filmproject.
‘Eh, hier?’ stamel ik. ‘Een filmpje?’
‘Een filmprojéct,’ verbetert ze mij.
‘Hoe heten jullie?’ vraag ik om tijd te winnen.
Ze stellen zich voor. Ik onthoud niet één naam, maar het kind dat het woord voert doet mij aan Dora denken, dat tekenfilmfiguurtje. 

Ik wil zeggen dat het niet mag, dat ze moeten opkrassen en mij alleen laten, dat er veel betere plekken zijn om te filmen, maar ik doe het niet. Het zou oneerlijk zijn. Deze school staat hier niet voor mij,  mijn vreemde verbonden met de meubels en mijn behoefte aan stilte. De school is er voor de leerlingen, opdat zij kunnen leren en filmprojecten doen. 

Ik mompel dat ze niet aan de spullen mogen komen, en dat ze alles keurig moeten achterlaten. Dora knikt gretig. De anderen zijn al begonnen alle tafels en stoelen tegen de wanden te schuiven.
‘Het mag!’ roept Dora de gang in.
Er komen nog een grote groep meisjes het lokaal binnen. Deze zijn een stuk luidruchtiger. Een nogal dik kind gooit met de deur. ‘Hela!’ roep ik.
Dora wijst het wicht terecht, streng en adequaat. Er zijn er nu ongeveer twaalf kinderen in mijn lokaal, ze horen er allemaal bij. Ik vraag hoe ze gaan filmen. Dora zegt dat ze kostuums hebben meegenomen, en grimespullen. En mobieltjes voor het filmen. Ik knik, alsof ik het begrijp.

In een oogwenk is mijn lokaal veranderd in een filmset. Maar dan zonder camera’s. Dora geeft iedereen instructies. ‘Er is geen tijd te verliezen,’ zegt ze. ‘Als iedereen doet wat ik zeg dan gaat het lukken.’

Ik druip af.


Een uur later loop ik terug om te kijken hoe het gaat met het filmproject, en om te controleren of het geen bende is. Ik kijk door het raampje. De meisjes hebben rare kleren aan, ze maken ruzie. Misschien hoort het bij de film. Dora staat druk te gebaren, midden in mijn lokaal. Precies op de plek waar ik altijd sta. Ik blijf staan met de deurkruk in mijn hand. Eerst houd ik mij voor dat ik het filmproject niet wil verstoren. 

Dan zie ik de waarheid onder ogen: ik durf niet naar binnen.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010