maandag 25 oktober 2010

Roy stond buiten met een keyboard...

Leraar van het jaar 2010 is een vrouw die al dertig jaar werkt op een vmbo-school in Amsterdam. Dit is schitterend, en zeer terecht. Ik denk nog vaak terug aan mijn eerste baantje in het onderwijs, op de agrarische school in Den Haag. Ik geloof zelfs dat alle nachtmerries die mij plagen zijn terug te voeren op gebeurtenissen uit dat jaar.

Ik herinner mij Theo, uit 2A. Hij weigerde de eerste les een paar woorden van het bord over te schrijven. Ik zei “ik kijk straks in je schrift, en dan staat het er”. “Maar hij kan niet lezen en schrijven” riepen medeleerlingen verontwaardigd. Hoe ik zo harteloos kon zijn! Halverwege het jaar was Theo van school verdwenen. Ik had hem toen net zo ver dat hij zijn basketbal aan de deur bij mij inleverde.

Denny uit 2B, daar moest je voor uitkijken. Je mocht hem er wel uitsturen, maar dan moest je niks onvriendelijks zeggen. Vorig jaar was zijn voltallige familie uit het woonwagenkamp uitgerukt om de docentenkamer kort en klein te slaan. De directeur voelt aan zijn bril als hij dat vertelt. Die werd van zijn neus geslagen.

Nog iets erger was Michel (2B). Als je die jongen in de ogen keek werd het koud om je hart. Hij had geen familie om voor hem op te komen, hij moest het zelf doen. Met zijn vrienden. Foute vrienden die hem op school stiekem neo-nazi propaganda lieten kopiëren.

Dan waren er nog boeven zoals Roy (2A), die – anders dan de onbereikbare jongens Theo en Michel - serieus geïnteresseerd waren in mijn Ondergang. Op een kwade dag stond hij buiten met een keyboard. Mijn keyboard. Hij gluurde naar binnen, hield het ding triomfantelijk omhoog toen hij zag dat ik hem zag. Niet het welzijn van het keyboard stond op het spel, maar het mijne. En het zijne.

Dat is wat kinderen doen, ze zetten alles op het spel, hun ziel en zaligheid, om opgemerkt te worden. Ze hopen op waardering, van iemand die zij zelf waarderen. Een slappe zak die ze laat wegkomen met streken zoals naar buiten lopen met een keyboard, daar hoeven ze niks van. Roy had ik aan het einde van het jaar zover dat hij tijdens de les bleef zitten, bijvoorbeeld om een potje te kaarten met Theo, terwijl ik liedjes zong met een paar kinderen die dat wel leuk vonden. Het was niet veel, om de dooie donder niet veel.

Juf Coenen, leraar van het jaar, gaat naar de kapper tijdens een studiedag over competentiegericht leren. Ze preekt hel en verdoemenis als een leerling zijn huiswerk niet heeft. Ze schopte een rel in Polen, toen ze met een bus zwarte kinderen bij de grens werd tegengehouden. Ze weet wat er leeft in laagopgeleid Nederland, daar waar de aanhangers en de beoogde slachtoffers van Wilders elkaar treffen. Ik ben al lang weg daar, al lang, en ik kom niet meer terug. Zij die blijven, God bless them.

zondag 17 oktober 2010

Boy, you got to carry that weight...

Ik zit er al een tijdje tegenaan te hikken. Het moet er toch van komen. Een In Memoriam voor een verdraaid goed bandje. Ons bandje. De Beatles-band die na acht jaar nog altijd The New Beetles heet omdat we aan het verzinnen van een goede bandnaam nooit toekwamen. En voor je het weet ben je een begrip, dat spreekt.

Sta mij wat onnozele weemoedigheden toe.

Ik denk aan verdacht joviale kroegbazen die je een bord eten gaven, een paar pilsjes, en je dan met hese stem toefluisterden “en de rest betaal ik.” En dat je dan nog “bedankt” zei terwijl je kromgebogen onder het gewicht van de versterkers het pand verliet. En aan die maffe feesttent vol ladderzatte jeugd waar we tegen ons zin Yellow Submarine speelden en desondanks na een klein half uur moesten opdonderen. Legendarische live-karaoke optredens op school met zingende collega’s, velen dronken. Het openluchtconcert waarbij we de tango-workshop voor beginners ernstig verstoorden, zodat de beginners ten slotte maar kwamen swingen op I saw her standing there. O, die zoete eerste maal dat er jongelui onder de twintig loeihard meezongen met ieder nummer, en ons zo voor even verlosten van de Vergeefsheid.

Ik denk aan de repetities in het muzieklokaal. Eerst in die veredelde bouwkeet die in zijn geheel meetrilde zodat je er zeeziek uitkwam, later mijn mooie lokaal, mijn werkplek godbetert, waar ik dan ’s avonds nog eens urenlang rondhing, ogenschijnlijk voor de lol. Soms vier nieuwe nummers in een uur, soms een uur in de weer om onze John te overtuigen dat hij I am the Walrus echt geweldig kon zingen, soms enkel ouwehoeren en elkaar aftroeven met onzinnige Beatles-trivia. Maffe akkoordenschema’s uitbenen, vieze koffie, teringherrie, knokken om de close-harmonies goed te krijgen (Because the sky is blue it makes me cry), some kind of happiness is measured out in years.

Ik denk aan zeven geweldige muzikanten (zeven ja, hoe denk je anders dat je een nummer als You never give me your money op je setlist kan zetten?), zes heren en een charmante dame, allen worstelend met een Beatles-tic die in ernst toenam naarmate wij dieper groeven in het rijke repertoire.

In Pier 32 speelden we op een installatie met een begrenzer, waarbij een bouwlamp aansprong om ons te waarschuwen dat binnen drie tellen de stroom zou worden afgesloten als wij niet terstond zouden dimmen. De zon zakte in de zee, wij zongen Here comes the sun, de bouwlamp begon te knipperen in onze gezichten – wij zongen wat zachter. Wij wisten dat het niet voor altijd zou duren, alsof wij voelden dat alles wat subliem is of wil zijn ooit afzinkt in de grote Vergeefsheid der dingen. De stroom viel uit bij Paperback writer.

Zondag 24 oktober spelen wij nog één keer. Op de plek waar wij veel laatste biertjes dronken, op weg naar huis. Café de Gouwe in Oegstgeest. Aanvang 16:00, toegang vrij.

Wie niet kan komen: you got to carry that weight a long time

zondag 10 oktober 2010

Als je wist dat ik nog leefde

Oktober is de maand van de enge ziektes. Als ik naar mijn werk fiets kom ik er vier achter elkaar tegen. Dat is niet overdreven, het is echt zo. Eerst vraagt Sophie Hilbrand of ik nog wel met haar wil zoenen als ze met hiv besmet zou zijn. Het antwoord is: nee, dat wil ik niet. Ik vind Sophie een leuke meid, maar ik hoef niet met haar te zoenen. Drie lantaarnpalen verderop de borende blik van een bebaarde man met onderarmen als scheepskabels, hij wil weten of ik me nog wel door hem wil laten tatoeëren als-ie hiv besmet zou zijn. Het antwoord is wederom nee, ik moet er niet aan denken. Ik denk gewoon niet dat het me staat.

Iets zegt mij dat ik het verkeerde antwoord geef. Dat Sophie noch Baardmans van een nee wil horen.

Bij de volgende paal: drie ernstig verminkte doch vrolijk lachende gezichten bedanken mij voor mijn steun aan het fonds voor mensen met gezichtletsel. Ik schaam mij, want ik heb nooit wat gegeven aan dat fonds. Ik fiets stevig door, maar mijn blik wordt gezogen naar een affiche van een vriendelijk lachende jongeman die eruit ziet alsof-ie zojuist op een landmijn is gestapt. Hij zegt “ik overleef E.B.” Ik weet niet wat dat is, maar ben oprecht blij voor hem, al vermoed ik dat mijn steun hard nodig is bij zijn strijd. De laatste plaat doet me de das om, want daar staat een slapende baby op, een baby met een polsbandje. Dat bandje zegt genoeg. Nadere beschouwing leert dat het kindje doodmoe geboren is omdat het lijdt aan een zeldzame stofwisselingsziekte.

Ik kom doodmoe aan op school. “Het wordt een mooie dag,” zeg ik tegen mijzelf, de onvaste toon negerend.

Een uur of wat later hoor ik dat Antonie Kamerling zelfmoord heeft gepleegd. Ik denk eerst aan Kurt Cobain, het ligt wel erg voor de hand, maar daar vond ik hem op lijken. Dan denk ik aan Mark Everett aka E(els), wiens oeuvre één grote strijd met zijn doodsdrift is maar die godzijdank nog steeds muziek maakt, en zingt: “Is the curse stronger than me, or am I stronger than the curse”

De kleine blonde is dood. Dit raakt mij harder dan ik wil. Ik denk: dit is dus geen zeldzame ziekte met een gironummer dat je van je schuld kan verlossen. De depressie-epidemie, daar zijn toch pillen voor? De overheid heeft sinds een paar jaar aandacht voor deze sluipmoordenaar, de farmaceuten springen er graag op in. Lees het boek van Trudy Dehue. Een oplossing bieden ze niet, aldus Dehue, zolang we gevangen zitten in de moderne begripsbepaling van geluk waarin alles draait om ons functioneren. Geluk = succes gedeeld door ambitie. S gedeeld door A. Een bron van ellende, aldus Alain de Botton. En dan, bestaat het dat je doodongelukkig wordt geboren? Ik denk, je zal maar E.B. hebben en depressief zijn... dan mag je niet eens op zo'n poster.

Ik weet het allemaal niet. Ik weet alleen dat ik woedend wordt op lui die Kamerling afserveren als een ‘mislukt acteur’ die nu 'bovendien een slappeling' blijkt. S/A-denken. Nog woedender word ik van types die op een campy manier dwepen met het ‘arme jochie uit GTST’ uit een cynische kijk op het leven die niet zonder schandalen kan en altijd uit is op bewonderende blikken, ‘kijk mij nou, kijk mij, kijk mij (eens geweldig functioneren)!’

Nu weet ik ineens iets! Ik wil posters op de billboards, depressieposters die de griezelige ziektes binnenkort komen aflossen. November lijkt mij er de uitgelezen maand voor, de slogan ligt voor de hand. Het regent en het is november, weer keert het najaar en belaagt het hart dat droef maar steeds gewender haar heimelijke pijnen draagt. Dit is niet spottend bedoeld, ik meen het echt. En als dat te elitair is, of te cultureel voor de nieuwe regering, dan een groot portret van Antonie Kamerling die ons indringend aankijkt en zegt: “Zou je mij helpen als je wist dat ik nog leefde?”

zondag 3 oktober 2010

Drie oktoberrr, dus

Drie oktober, de laatste dag van het jaar die gul was voor ons, die zacht licht uitstrooide, die haren delicaat deed wapperen – die van mijn vrouw meen ik want het mijne wappert slecht. Drie oktober, en dan zo’n zwoele dag – dat is geen combinatie. Diep in de kraag horen wij naar de kermis te sjokken, zonder plu want teveel wind (en waar laat je het ding? “Zou u dit even willen vasthouden meneer, ik moet even in de reuzenpoliep”).

Dit soort weer vloekt met kermis, met die van het Leids Onzet tenminste. Mooi weer staat de Kermis der kermissen niet, wat heeft het subtiele strijklicht te zoeken in die hysterische hel van knipperlampen en tyfusherrie? Striemende regen moet er zijn, bakken water om het volk tot bedaren te brengen. Zolang de regen slaat doen de vuisten het niet, geloof me, zo is het echt.

Wij gingen dus niet naar de kermis. Wij gingen rustiek appels plukken op landgoed de Olmenhorst te Lisse, ver weg van het gepeupel. Een kilo appels kostte er minder dan op de markt zei men, en Rust & Stilte waren bij de prijs inbegrepen. Dat van die rust viel wat tegen. De auto’s stonden tot Abbenes in de berm. Dure auto’s, dat wel. Het was stampvol op de Olmenhorst, en blubberig. Je kon er banjeren door alle soorten Haarlemmermeermodder, van stug en robuust tot nat en glibberig. Heerlijk. Een jongetje van drie was van voren helemaal van blubber, ook zijn gezicht. De achterzijde was gewoon van jongetje, een kostelijk gezicht. De kermis van de rijken, en waar de rijken zijn daar zijn de schrijvers. Er bleken achteraf een paar bekende exemplaren rond te lopen, die wij alle gemist hebben.

De laantjes met appelbomen waren bij vlagen zo vol en men schuifelde er zo bedaard doorheen dat het leek op een groene variant van de Taptoe, maar dan zonder het zwaaien. Maar het was beslist een briljant idee: geen kosten voor pluk, opslag en distributie, al die brave gezinnetjes kwamen hun zakje zelfgeplukte appels netjes afwegen en betalen.

Met tien kilo appels tijgerden we door de modder terug naar de auto, ergens richting Abbenes. Kosten: een tientje. Staat gelijk aan twee man in het reuzenrad, of één in de poliep.

Ik zie wel een beetje op tegen de komende week. Ik was er niet. Ik was niet bij de bloedige gevechten op de Beestenmarkt, ik heb niet gezien hoe een te zwaar beladen bakje van de Super Mouse uit de bocht vloog en zich in de pui van de Gauchos boorde, ik heb Gele Gerrit niet het luchtgeweer zien afschieten op “die Kutmarokkaan” die ik - als ik er was geweest - herkend zou hebben als de zoon van mijn Turkse bakker. Ik weet niet wie zijn uitgeroepen tot de Koning van de Kopstoot en de Koningin van de Kotsvloer, ik weet niets. Ik vrees de vraag “wat heb je gedaan op 3 Oktober?” Ik laat niks los, ik zal zeggen dat het lekker weer was, mijn tanden in een zure Olmenhorst-appel zetten en een duim in de lucht steken. Dat zien ze graag, zo'n duim.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010