donderdag 29 november 2012

Goed werken


Ik sta met twee zakken schuimpjes in mijn handen. In mijn lokaal zitten dertig brugklassers, en ze praten allemaal. Ik heb vaak nachtmerries waarin mijn leerlingen allemaal praten en ik machteloos ben. Het verschil tussen mijn nachtmerries en de werkelijkheid is dat ik in mijn dromen in paniek raak of om mijn moeder roep, en in het echt juist kalm ben, zelfs een beetje apathisch. Ik sta te denken: Zouden ze in staat zijn de hele dag door te praten?
        
Ik heb ze vorige week schuimpjes beloofd, als ze goed zouden werken. Ze hadden precies goed genoeg gewerkt, zodat ik die schuimpjes niet kon weigeren. Zo zit het dus. Ik ben een professional, en ik sta met twee zakken Sinterklaasschuim in mijn handen. Met mijn stomme kop. Iedereen praat nog steeds.
‘En nu is het genoeg!’ roep ik ineens. Ik weet dat dit geen goede tekst is, ik behoor met minimale middelen, kordaat en vriendelijk, duidelijk te maken dat mijn les is begonnen. Het komt door die verrekte schuimpjes. Ik smijt de zakken snoep op de vleugel. Op de vleugelpiano ja. Het maakt een griezelig geluid, en het maakt indruk. Ik hoor de snaren zacht natrillen. 

Er hangt een verwachtingsvolle stilte. Het is net alsof ze hopen op een korte, louterende preek. Kinderen willen hun ziel graag aan je toevertrouwen, zeker als je voor Sinterklaas speelt. Ik weet niet precies wat ik moet zeggen, ik kijk dwingend rond, met mijn blik houd ik hen in mijn greep, maar ik weet dat dit niet erg lang zal duren. Vijf tellen misschien. Nu moet ik komen met de woorden die hen zullen verlossen.

Dan zie ik Jasper, hij zit te kauwen. Jasper is een kereltje met een engelachtig gezicht. Soms draagt hij zo’n smal stropdasje. Half verscholen onder zijn tafel houdt hij een Twix. Hij ziet dat ik het zie, en doet iets heel dappers. Hij begint met die Twix te zwaaien en zegt: ‘Sorry m’neer!’ ‘Is dat je lunch?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Ik heb nog meer!’ Uit zijn tas haalt hij een chocolademuffin en een zak Maltesers. ‘Weet je moeder dat?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt hij, ‘ik heb het op het station gekocht. Maar ze heeft me zelf een blikje Red Bull meegegeven.’
Ik kijk streng, mompel een gemeenplaats over gezonde voeding, voel ondertussen hoe de zakken Sinterklaasschuim mijn woorden ondermijnen.

‘Krijgen we dan nu die schuimpjes meneer?’ vraagt een meisje.
‘Als jullie die nare dingen nog willen deel ik ze na de les wel uit’ zeg ik. Een lang meisje met één gele en één rode gymschoen schuift haar stoel naar achteren.
‘Moeten we vandaag dan weer goed werken?’ zegt ze. ‘Dat is niet eerlijk!’


Gepubliceerd in dagblad Trouw, 28 nov 2012

donderdag 22 november 2012

Tafeltjesavond



De eerste rapporten zijn overhandigd, de eerste dromen gesneuveld. Wij maken ons op voor Tafeltjesavond. Tafeltjesavond is een strak geregisseerd evenement waarbij ouders kunnen spreken met de dromenvangers. In de aula staan honderd tafels strak in het gelid. Achter iedere tafel zit een leraar. Na tien minuten klinkt er een snerpende bel, dan beginnen honderd ouders aan een korte dans. De leraren ordenen hun papieren. Een paar ogenblikken later zit iedereen. Een prachtige choreografie. Onze rector, een gekend toneelliefhebber, beziet het tafereel altijd met een minzame glimlach rond de lippen.

Wij kennen ‘onze ouders’ uit Oegstgeest als betrokken en veeleisend. Ze denken graag mee en komen met creatieve oplossingen. Zo ging het met een leerling uit de vierde niet goed bij Frans. De ouders kwamen de docent op tafeltjesavond vertellen dat ze hier flink van geschrokken waren, en daarom direct een huisje in de Drôme hadden gekocht.

Wat ik soms vergeet is dat veel ouders meer ervaring hebben met dit soort mini-gesprekjes dan de meeste leraren. Sommige komen voor hun vierde kind, zij hebben al tachtig tafeltjesavonden overleefd. Die laten zich niets meer wijsmaken. Ze zeggen dingen als ‘Wij hebben hetzelfde doel nietwaar?’ en ‘En wat ga jij er aan doen Gerwin?’ Ze gebruiken heel vaak je voornaam, zodat je ongewild een ‘vrindje’ van ze wordt. Ik beloof altijd veel te veel in zulke gesprekken, eerder uit lafheid dan uit moed of dadendrang. Gratis bijles, extra werk, speciale begeleiding, en alles wordt wekelijks gecommuniceerd met papa. De volgende dag ben ik dat meestal weer vergeten, en papa gelukkig ook. De leerling blij.

In de tijd dat ik honderdvijftig brugklassers per week door mijn lokaal zag schuiven (ik zou dit thans niet meer overleven) nam ik op tafeltjesavond een moeder voor mij in door de loftrompet te steken over haar zoon. Ze glom van genoegen. Pas na een minuut of zes kreeg ik in de gaten dat de Niels waar ik over sprak niet haar Niels was, maar één uit een andere klas. Mijn Niels was een rustige jongen, die muzikaal was en kon heel aardig zingen. ‘Wat grappig,’ zei ze, ‘hij heeft nooit iets met muziek gehad. En dat hij zo stil is verbaast me ook!’ 

Ik hakkelde nog even door, toen werd ik verlost door de bel. Ze bedankte me hartelijk. ‘Het was fijn eindelijk eens iets positiefs over Niels te horen!’ Een tevreden klant verliet de school. Een compliment werkt als een toverspreuk, ook als je er lukraak mee zwaait en alles een misverstand is, mist het zijn uitwerking niet. De volgende lessen deed Niels zijn uiterste best te voldoen aan het beeld dat ik zijn moeder geschetst had. Hij zong de longen uit zijn lijf. 

donderdag 8 november 2012

Vijftig tinten


Ik zit mij te vervelen tijdens het is studie-uur van mijn mentorgroep. De leerlingen overleggen op gedempte toon over functies en vergelijkingen. Achterin zit Naomi, ze slaat haar wiskundeboek dicht, met zo’n mooie ingestudeerde puberzucht, en zegt dat ze ‘episch gaat falen’. Ik ben wel wijzer dan aandacht aan haar te besteden, de falende Naomi is een personage dat zij naar behoefte opvoert. Ze pakt een ander boek uit haar tas. Een paperback. Ze kijkt rond of iemand het ziet. Ik knik goedkeurend naar haar. Een leesboek! Heerlijk kind. 

Vanachter haar boek loert ze naar haar buurvrouw. Die begint te gniffelen. Natuurlijk ruik ik onmiddellijk lont, maar als ik de boel laat ploffen ben ik de rest van het uur aan het dweilen. De verongelijkte Naomi is ook een personage dat je liever niet op het toneel ziet, net als de Naomi-met-de-slappe-lach. Inmiddels lijkt het er niet meer op dat ze aan het lezen is, ze spiedt voortdurend door de klas. Het gesmoorde gehinnik van haar buurvrouw trekt de aandacht van een paar jongens in de buurt, maar pas als een ander meisje het ontdekt barst het bommetje.
‘Uh gross!’
‘Are you seriously enjoying that?’
Ze leest Fifty Shades of Grey. Er ontstaat rumoer, ook de jongens laten hun afschuw blijken. Naomi’s vriendin schiet haar te hulp. Ze roept dat ze alledrie de delen al uit heeft.

Men wacht op mijn reactie. Wat te doen? Tekeer gaan tegen een slecht geschreven seksboek voor nette dames die koketteren met guilty pleasures? Waarschijnlijk werkt het averechts. Ik stel een paar belangstellende vragen, dat is altijd goed. Is het mooi geschreven? Is het verslavend? Is het dirty? Heb je het van je moeder geleend? Ze antwoord ‘ja’ op alle vragen, giechelend. Ik vraag of ik het boek even mag vasthouden, ‘dan kan ik kijken of het waar is wat iedereen zegt.’

Ik sla een willekeurige bladzijde op en begin te lezen. De passage gaat over een dame die het erg heet heeft, en tegelijk rilt. ‘Interesting,’ zeg ik, in de hoop dat dit begrepen wordt in de Britse betekenis. Naomi slaakt een gilletje. ‘Ik ga aan mijn moeder vragen of u het mag lenen, als ik het uit heb!’ Ik zeg dat het beslist niet hoeft, maar ben onverstaanbaar omdat diverse meiden nu gilletjes slaken. Naomi die haar moeder gaat vragen of ik dat boek... mijn vermogen om mijzelf in de nesten te werken gaat ieder begrip te boven.

Even later, als ik de wiskunde-opgaven uitdeel, zit Naomi op haar stoel te draaien, vijftig tinten rood in haar gezicht. ‘Oh, I’m shaking from excitement!’ zegt ze. Ik kan er geen spoor van ironie in ontdekken.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010