vrijdag 20 maart 2015

Nou, beterschap (column Trouw 18 maart)

Ik heb me deze week een dag ziek gemeld.
Dat klinkt als een biecht, en zo voelt het ook. Ik was ook echt ziek, daar niet van, mijn hoofdpijn kwam uit mijn oren, in mijn keel zat een eiersnijder en voor het overige was ik ook heel zielig. Maar daar gaat het niet om. Ziekmelden is het ergste wat er is, het is de moeder aller nederlagen voor een leraar, althans zo denk ik erover. 

In de nacht vóór de ziekmelding heb ik koortsdromen waarin honderden schoolkinderen in staat van ontreddering door de school rennen. Ik moet terstond beter worden, want zonder mijn aanwezigheid zal alles in het honderd lopen.

Misschien is het een vorm van grootheidswaan, speciaal voor leraren.

Het was alweer drie jaar geleden dat ik mij voor het laatst een dag ziek had gemeld, ik was vergeten hoe het moest. Het is niet eenvoudig. De hele procedure is zo omslachtig dat je vanzelf gaat geloven dat je iedereen vreselijk tot last bent.

Allereerst moet ik de klas van het eerste uur op de hoogte stellen via de telefoonboom. Als ik het achterhaalde concept van de telefoonboom hier uit moet leggen heb ik een extra krantenkolom nodig, dus volstaat hier te zeggen dat ik om zeven uur ’s ochtends een leerling uit Rijpwetering probeer te bellen. Ik krijg zijn moeder aan de lijn. Ik vertel haar dat ik ziek ben. ‘Nou, beterschap’ zegt ze. Ik stel me voor dat een minister die ziek is zich afmeldt bij de moeder van Rutte, en dat ze dan ‘nou, beterschap’ zegt. Enfin, de jongen zal het bericht wel op de groeps-app zetten en terug in bed duiken.

Daarna word ik geacht de school te bellen. Er is een speciaal nummer voor ziekmelden. Dat nummer kan ik niet vinden. En ik moet mailen naar de roostermaker, hij is heel streng, hij moet weten wat de vervanger met mijn klassen moet doen. Arme vervanger. Arme kinderen. Ze krijgen niet eens vrij. Op dat moment wil ik mij bedenken, toch maar naar school gaan, maar dat kan niet meer, ik heb mij al ziek gemeld bij die moeder uit Rijpwetering. Ik stiefel nog haastiger door het huis dan op gewone ochtenden, mijn gezin vraagt waarom ik zo onrustig doe. Ik antwoord niet, ik kruip achter mijn computer.

Ten slotte vind ik het telefoonnummer voor het ziekmelden. Ik moet de voicemail inspreken. ‘Hallo ik ben ziek.’ Mijn stem klinkt als een haperende startmotor, dat komt mooi uit want zo klink ik tenminste echt ziek. Niemand zegt ‘nou, beterschap’. ‘Sorry,’ zeg ik dan maar. Voor de zekerheid hoest ik een keer in de telefoon. Op de achtergrond gniffelen mijn kinderen.


donderdag 12 maart 2015

Waar is het bonnetje? (column Trouw 11 maart)

Twee bewindslieden zijn uitgegleden over een bonnetje. De transactie bedroeg 4,7 miljoen en was niet geheel rechtmatig, aftreden was onvermijdelijk. Echter, het hoongelach dat nu volgt geeft me een ongemakkelijk gevoel. Ik ben zelf namelijk ook niet handig met bonnetjes. 

Als leraar heb je gelukkig alleen gedoe met bonnetjes als je op schoolreis gaat. Ik schreef al eens over reizen met dertig kinderen naar Venetië, over bezoeken aan kerken en cultuurschatten, maar nog nooit schreef ik over de bonnetjes, al die verrekte bonnetjes die ik tijdens zo’n trip moet verzamelen, bewaren en optellen voor de eindafrekening.

Het eerste jaar dat ik een reis organiseerde kwam ik een paar honderd euro tekort. Dat kwam omdat ik lichtzinnig met het verzamelen van bonnetjes was omgegaan. Die achteloosheid kwam me niet glad te zitten. Van aftreden was geen sprake, maar het scheelde weinig.

Sinds dat jaar ben ik voorzichtiger en nauwgezetter, maar hemel, het is soms niet te doen. Ik ga immers naar Italië. In Italië hebben ze wel een mooi woord voor bonnetje – scontrino, het klinkt als een prachtig scheldwoord – maar in werkelijkheid houden ze er helemaal niet van bonnetjes. In restaurants moet ik er soms om bedelen. Leerlingen, die van mij geld krijgen om eigen inkopen te doen, draag ik daarom op altijd bonnetjes te vragen: Un ’ scontrino, per favore.

Gedeelde verantwoordelijkheid is halve verantwoordelijkheid, zou je denken. Niet in het onderwijs. Daar is gedeelde verantwoordelijkheid uiteindelijk de leraar zijn verantwoordelijkheid. Kinderen verliezen bonnetjes, of durven er niet om te vragen. De lokale bakker Venetië weigert een bonnetje uit te schrijven voor een stokbrood aan een vijftienjarige. Ieder jaar kom ik tekort. 

Dus steel ik achtergelaten bonnetjes bij supermarkten, teneinde de eindafrekening sluitend te krijgen. Vaak ga ik stiekem op pad, maar vorig jaar ben ik door leerlingen betrapt en gefilmd terwijl ik met mijn arm tot aan mijn oksel in een Venetiaanse vuilnisbak sta te graaien. Op het bonnetje dat ik vond stond 120 euro, alleen was het uitgegeven aan zes kratten bier. Dat kon ik dus weer weggooien. 

Het filmpje staat misschien nog op internet, maar ik hoop het niet.

Gelukkig ben ik niet de enige die rommelt met bonnetjes. Welnee, iedereen doet het. Ook op dit kruimelniveau gaat alles goed tot het fout gaat. Cees van drama kwam eens uit Londen terug met een bon van 40 pond, op het allerlaatste moment gevonden op het vliegveld. Hij had alleen naar het bedrag gekeken, niet naar de artikelen. Na het indienen van de eindafrekening kreeg hij de indringende vraag van het hoofd van het administratiebureau of hij kon uitleggen waarom hij voor 40 pond snoepstrings voor de leerlingen had gekocht. En wat dat eigenlijk was, een snoepstring.


Er zijn ministers om minder opgestapt.

zaterdag 7 maart 2015

Piketpaaltje (column Trouw 4 maart)

Op een gewone doordeweekse middag zit ik met mijn vrouw in de bioscoop. Het is vakantie, dus wij hoeven ons hier niet schuldig over te voelen. Het is een Zweedse film. Wij hoeven ons dus ook niet te schamen. Desondanks zit ik zover mogelijk weggezakt in het pluche en voel ik me betrapt wanneer ik vlak voor het licht zal dimmen een damesstem hoor zeggen: ‘Hé hallo Gerwin.’

Ik kijk in het gezicht van een jonge vrouw. ‘Hallo,’ zeg ik neutraal. Ze hoort waarschijnlijk dat er geen enkele herkenning in dat ‘hallo’ van mij besloten ligt. Ik sta op, kom lachend dichterbij. Die toenadering is een risico, want als herkenning uitblijft sta ik in mijn hemd. Nu sta ik vlak voor haar. Ze is klein van stuk, krullend donker haar, mooie heldere ogen. Die ogen ken ik. De rimpeltjes eromheen niet, nee die heb ik nooit eerder gezien.

‘Je weet het niet meer hè?’ zegt ze. ‘Ach, één van al die duizenden, dat is ook niet gek.’
De manier waarop ze intoneert, die ogen, de vriendelijke afstandelijkheid. Als een flits komt het binnen. Veertien jaar ouder, en toch dezelfde.
‘Nee hoor,’ zeg ik. ‘Suzanne. Speel je nog dwarsfluit?’
Ze lacht en trekt dan een frons. Nee, ze speelt geen fluit meer, maar ze zingt wel. Ze is orthopedagoge, en vliegt de hele wereld over om haar kennis te delen. Het gaat goed met haar.
‘En jij?’ vraagt ze. ‘Nog steeds op het Rijnlands?’

Ik vind het meestal wel leuk om oud-leerlingen tegen te komen. Die van vroeger tutoyeren me, de jongere jaargangen zeggen u. De kletspraatjes die je met ze hebt verlopen volgens een vast patroon waarin, als je goed kijkt, een zekere schoonheid schuilt. Met hen gaat het eigenlijk altijd goed, ze vertellen over hun studie of loopbaan, over hun successen, en tenslotte vragen ze of ik nog steeds op het Rijnlands werk. 

Ik stel ze niet teleur, want ja, ik werk er nog. 

Bij mij blijft alles hetzelfde, ik beweeg niet, ik ben een piketpaaltje, zij groeien en vliegen alle kanten op. Zo moet het zijn, dat is om één of andere reden belangrijk.

De meest onverwachte ontmoeting met een oud-leerling staat op naam van Thijs. Thijs, mijn buitencategorie-ADHD’er die enkele jaren geleden zonder diploma van school was gestuiterd. Thijs stond ineens voor mijn deur, hij had een rode jas aan van het Diabetesfonds en een bonnenboekje in zijn hand. ‘Meneer van der Werf! Woont u hier?’

Ik vroeg hoe het met hem ging. Hij vertelde hoe hij aan een havo-diploma was gekomen, en dat alles goed ging, beter dan ooit. Hij studeerde iets. Daarna vroeg hij of ik nog op het Rijnlands werkte. ‘Natuurlijk,’ zei ik.
‘Wat goed. U was mijn favoriete mentor!’

Sedertdien ben ik lid van het Diabetesfonds.



vrijdag 6 maart 2015

Mal (Boekenweek 2015)

Het thema van de Boekenweek is waanzin, met een hoofdletter, en een uitroepteken erachter: Waanzin! Ik weet niet waarom dat uitroepteken nodig is, het verpest het een beetje wat mij betreft. Moet er weer bij geschreeuwd worden? Ik doe even niet mee, ik wil op zachte toon spreken over Nescio.

In DWDD, een programma waar heel vaak geschreeuwd of in ieder geval heel hard gepraat wordt, spraken voormalige schrijvers van het boekenweekgeschenk over hun favoriete literaire gekken. Tom Lanoye kwam niet al te verrassend uit de hoek met Hamlet, Tommy Wieringa met Kurtz aka Kolonel Kurtz (geen woord over Conrad meen ik, wel over Coppola), Kader Abdollah verstond ik niet goed, hij had het over ‘wielerliteratuur’ en 1001 nachten, ik kreeg die twee niet bij elkaar, ik sluit niet uit dat Kader zich wilde manifesteren als de Waanzin in eigen persoon. In kranten en tijdschriften is inmiddels een stoet literaire gekken langs getrokken, iedere gek zijn geestdrijver, iedere waanzin haar bewonderaar.

Ik mis in het getetter de zachte stem van Nescio. Ik begrijp niet waarom hij, de enige echte heilige in de Nederlandse Letteren, nog niet genoemd is in het Boekenweekrumoer, althans niet voor zover ik weet. Waanzin, met uitroepteken, het is ook zo’n groot woord. Het pas niet zo bij Nescio. Laten we spreken van ‘mal’, zoals Nescio zelf deed. Zoals ik het zie draaien Nescio’s beroemde verhalen om de spanning tussen onaangepastheid (in pathologische vorm kan je dit waanzin noemen) en een ‘normaal’ burgermansbestaan. De grens tussen mal en normaal, precies daar, de plek waar je nog een keuze lijkt te hebben, daar staan Nescio’s personages.

In de beroemdste openingszin uit de Nederlandse literatuur (ex aequo met W. F. Hermans’ invalide portier) maken we kennis met de uitvreter. Vooruit, daar komt-ie nog maar eens:

‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’

Wonderlijk of mal: onaangepast, dat is de uitvreter zeker. 

‘Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen aan, als je ’s avonds laat thuis kwam. Den uitvrete,r die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.’

Verder maken we natuurlijk kennis met de verteller Koekebakker en zijn vrienden Bavink, Bekker en Hoyer. Er is al zoveel over hen gezegd nietwaar? Ze lopen door Amsterdam, ze praten, ze drinken, hun ongebonden adolescentenleven speelt zich af op de grens van onaangepastheid en burgerlijkheid. Ze lijken nog de keuze te hebben voor het een of het ander. Schilder Bavink neigt naar waanzin (later is hij ‘mal geworden’). Bekker en Hoyer geven zich gemakkelijk over aan de sleur van het burgermansbestaan. Koekebakker staat ertussenin, hij observeert, hij twijfelt af en toe.

De aantrekkingskracht van uitvreter Japi op Koekebakker zit ‘m in het gegeven dat Japi wel lijkt te varen bij zijn onaangepastheid, met z’n reisjes, wandelingen, parasietengedrag en opgewekte praatjes. Dat maakt hem bij Koekebakker niet zozeer geliefd (hij is buitengewoon vrijpostig en hinderlijk) als wel een interessante casus: is het werkelijk mogelijk, leven zonder je aan te passen, zonder vast werk, zonder vaste verblijfplaats, ‘versterven’ zoals Japi het noemt?

Dat blijkt weerbarstiger dan gedacht. Steeds vaker wordt Japi in ontredderde staat aangetroffen, begint hij vreemde en sombere praat uit te slaan, over de rivier die altijd maar naar het westen stroomt en de mensen die altijd maar willen blijven tobben. Na het bericht van Japi’s dood, wanneer deze van de brug is gesprongen ('Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt'), spreekt Koekebakker de lezer nog eenmaal toe. Hij praat als Japi, hij praat in de geest van Japi zou je thans zeggen, uit weemoed misschien, maar ook omdat Japi in hemzelf is gaan zitten.

‘De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van de Dag nog. Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.’

Bavink werd mal, net als Japi. Hoyer en Bekker werden ‘stakkerig wijs’, net als Koekebakker, die stilletjes, zonder uitroeptekens, op de grens blijft balanceren. Mal worden of toch maar aanpassen? En dan misschien alsnog mal worden? Of tenminste ongelukkig? Die spanning, daar op de grens, die levert grote literatuur op. In handen van Nescio althans.


In het hele oeuvre van Nescio zult u trouwens geen enkel uitroepteken aantreffen. Nu ja, een- of tweemaal wanneer het Dichtertje aan het woord is. Maar die is dan ook behoorlijk mal geworden.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010