vrijdag 25 april 2014

Daan (column Trouw 23 april)

Ik hoorde het bericht over Daan toen hij al twee weken in coma lag. Dat was juli vorig jaar. Je hebt oud-leerlingen die je vergeet, en je hebt oud-leerlingen zoals Daan, aan wie je wel eens terugdenkt. Ik denk dat het bericht daardoor extra hard aankwam. Ik belde zijn vader, die vertelde wat er gebeurd was.

Daan was gevallen met zijn scooter en met zijn hoofd tegen een paaltje gekomen. Hij droeg een helm, en had niet gedronken.

Ik kon horen dat Daans vader dit verhaal al zeer vaak verteld had op precies deze manier, met precies deze woorden, omdat het waarschijnlijk de enige manier is waarop je zo’n verhaal over je zoon kan vertellen zonder dat je breekt.

Ik bezocht Daan in het ziekenhuis, met mijn collega Cees. Zijn vader gaf ons een pasfoto van Daan, zodat we aan hem zouden denken. Het was ontroerend. ‘Nou dat had je niet gedacht hè Daan,’ zei Cees, ‘dat ik nog met een foto van jou in mijn portemonnee zou rondlopen!’ Zagen we Daan even lachen? Ik weet het niet zeker, maar zijn vader was de koning te rijk met die zweem van een glimlach.

Vijf jaar voor dit ongeluk haalde Daan bij ons zijn havo-diploma. Hij was toen reeds achttien en reed rond in een klassieke Volkswagen Kever. Daan was niet echt een leerling, eerder een levenskunstenaar die tijdelijk was gehuisvest in een klaslokaal. En hij was zanger. Hij zong in allerlei schoolbandjes en speelde de hoofdrol in de musical The Commitments. Hij vertolkte de rol van Deco, de grofgebekte zanger van een Iers bandje werkloze jongeren. Een week lang was hij een cultheld op school, en in zekere zin bleef hij dat daarna. Daan, ik zal zijn stemgeluid niet snel vergeten. Wij verloren hem uit het oog, zoals dat gaat. Hij haalde elders zijn VWO-diploma, maakte lange reizen, ging studeren. Toen kwam de val met de scooter en stond daar dat paaltje.

Vorige week was Daan op televisie, in het programma Geef om je Hersenen. Na zes weken was hij uit coma gekomen. Een klein wonder. Meer kleine wondertjes volgden. Hij kon zingen, nog voor hij kon praten. De beste specialisten werkten met Daan aan zijn herstel. We zagen hoe hij lopen oefende, hangend in een tuig, op een loopband. Toen sprak Daan, langzaam maar duidelijk: ‘Mijn droom... is praten, en lopen.’
Die woorden bleven lang haken.


Vaste voornemens, vage plannen, toekomstdromen – van talloos veel leerlingen en oud-leerlingen heb ik ze langs zien komen, maar nooit was er één zo mooi en urgent als deze. Daan moet knokken om iets te leren wat twintig jaar lang vanzelf sprak. Hij gaat zijn droom waarmaken, daar ben ik van overtuigd.

vrijdag 18 april 2014

'The Big Five (en een gnoe)', column Trouw 16 april

Een meisje uit de derde klas stak in de pauze haar hoofd om de deur van de koffiekamer. ‘Zie je iets?’ vroeg een ander kind, dat zich schuilhield achter haar. Het meisje keek in de richting van de L-vormige doorzitbank waar alle gymleraren zitten, slaakte een fraai gilletje en riep: ‘Ik heb ze gezien! Ze zitten er allemaal. Ik heb de Big Five gespot!’

Dit is enige tijd geleden. Ik zat aan een tafeltje vlakbij, met de kunstsectie, een groepje warhoofden die om de haverklap weglopen om buiten te gaan roken. Ik vond het een mooie vondst, van die Big Five, alleen was ik bang dat wij kunstbroeders nog het meest zouden lijken op een paar suffende gnoes die de kudde kwijt waren.

Maar er is iets veranderd. Ik heb nieuw aanzien verworven bij de Big Five. Dat komt omdat ze in de gaten hebben gekregen dat ik aardig kan wielrennen. Afgelopen weekend reed ik samen met gymleraar Michiel een stuk in Limburg. Michiel is een kleerkast, zes jaar jonger en heeft longen als fietstassen. Hij wist dat ik fietste– misschien omdat ik het in de krant had geschreven – en wilde wel een tochtje maken. De keus viel op de 120 kilometer lange Hel van het Mergelland, een klassieker waarvan alleen de naam je al doet beven. 

Het ging goed, ik kon hem bijhouden en op de klimmetjes zelfs gemakkelijk wegrijden. Met hernieuwd zelfvertrouwen werp ik mij sindsdien in de pauze op de L-vormige doorzitbank, midden tussen de Big Five. Een gnoe tussen de roofdieren. Ik vraag zelfs doodkalm wie van hen er koffie haalt vandaag.

Vanzelf gaat dit allemaal niet. Honderdtachtig uur heb ik het afgelopen jaar op die racefiets gezeten. Honderdtachtig! Ik geloof dat dit meer is dan de door het ministerie vastgestelde studielast voor mijn vak in de examenklas. Had ik honderdtachtig uren gestoken in klavecimbel leren spelen, dan had ik deze week de Mattheus op tien plaatsen kunnen spelen. Echter, de Mattheus, daar scoor je bij de Big Five geen punten mee. Ben je daarentegen op de Loorberg anderhalve minuut eerder boven dan een gymleraar, dan wordt je naam eerbiedig gefluisterd.

Of ik de druk aankan zal moeten blijken. Er wordt mij weinig rust gegund. Zelfs als ik ‘s morgens naar mijn werk fiets word ik beproefd. Gisterochtend trapte Geert van aardrijkskunde mij met een noodgang voorbij. ‘Goedemorgen Gerwin!’ riep hij triomfantelijk. Ik keek nog een kilometer lang naar zijn achterwerk, en Geert kon bij de koffie vertellen dat hij Van der Werf voorbij was gefietst.

Ik maak mij dus geen illusies, geniet van het succes zolang het duurt. Voor dat meisje uit de derde blijft de Big Five de Big Five, en ben ik hooguit een krasse knar in lycra.


Gerwin in DWDD 28 januari 2010