vrijdag 26 april 2013

Simpel is (niet) goed: column Trouw 24 april


Ik zat de schoolexamens van 5 havo na te kijken. Het onderwerp was muziekgeschiedenis. In de uitwerkingen werk van een aardige jongen trof ik deze zin aan:“mensen hielden van drama in de Romantiek, bijvoorbeeld achter een meid aanzitten, maar ze blijkt dood te zijn.”

Ik vond het een raadselachtige zin. Ik hoefde er niet om te lachen, en ik werd niet boos. Wel begon ik te zweten. Het is immers nog drie weken tot de examens. En van wie had die jongen dit? Van mij? Het gevaar dat je uit je nek kletst tijdens een les is altijd levensgroot aanwezig. Iedere docent moet eigenlijk een rode lamp om zijn nek hangen, die gaat knipperen en zwaaien als hij of zij te lang staat te orakelen, of lariekoek verkoopt. Gezwets van leraren kan desastreuze gevolgen hebben, omdat de leerlingen die wakker zijn gebleven de anekdotes misschien wel onthouden, maar nooit weten wat ze ermee moeten.

Ik probeerde te achterhalen waar hij het vandaan had gehaald, die dode meid. Ja, ik had verteld van Schubert en zijn SOA, Chopins tuberculose, Schumanns waanzin, Wagners Tristan und Isolde, van lijden en ‘Sehnsucht’, de grenzen van tonale muziek, Schoenberg. Je vertelt aardige anekdotes, maakt ingewikkelde dingen eenvoudig, en de leerlingen maken die vereenvoudigingen nog simpeler. ‘Atonale muziek was niet populair onder het volk.’ Het is een bewering die men niet kan ontkennen. Maar heb ik het zo gezegd?

Ook de jazz kwam aan bod, de opkomst van de Big Bands. “Swing ontstond om de boel gezelliger te maken. De beurskrach was net ingestort, dus de mensen gingen naar cafés.” Toch maar een puntje, ik kan toch niet verwachten dat ze ook verstand van economie hebben? Een andere leerling komt met een troostrijk inzicht:
“De Afrikanen werden gered door de jazzmuziek, althans zo zie ik het”
Er zijn genoeg antwoorden die juist zijn, to-the-point en correct gespeld - maar evengoed zijn ze versimpeld. De muziekhistorie wordt afgeschminkt. Wat rest is een kruiwagen clichés. En ik denk: jullie kunnen het niet helpen.

Misschien moet ik het niet zo somber inzien. Misschien had die jongen het niet goed geleerd, misschien was hij in tijdnood en schreef hij maar wat woorden achter elkaar die hem invielen. Misschien is het, kortom, gewoon zijn eigen schuld. Toch ben ik bang. De snipper muziekgeschiedenis die ik mag doceren, het is soms alsof je, eh, achter een meid aanzit die misschien wel dood is. Soms denk ik: Liever helemaal geen geschiedenis dan een geschiedenis die bestaat uit kinderlijke simplismen. Want als zelfs die zijn vergeten, zal één boodschap blijven hangen. Daar ben ik bang voor, want het is een gevaarlijke boodschap: Simpel is goed.




donderdag 18 april 2013

Arnon Grunberg, VIP in Skybox (Column Trouw 17 april)


Arnon Grunberg wordt ambassadeur voor het vmbo. Het stond in de krant.
Het klonk mij vreemd in de oren, zoiets als ‘Arnon Grunberg wordt de nieuwe trainer van Roda JC,’ wat ik ondanks de rare klank ook best zou kunnen geloven. Grunberg lichtte toe waarom hij het ambassadeurschap had aangenomen: ‘een samenleving waarin alleen degenen die een gymnasiumdiploma hebben als geslaagd gelden is een ontwrichte samenleving.’

Ik kon mij daar in vinden, ik vond het zelfs treffend, ook al krijg ik altijd een onbehaaglijk gevoel wanneer Arnon Grunberg spreekt van ‘de samenleving’. Hij maakt er immers zelf al jaren geen deel meer van uit. Ooit schreef hij een ironisch stukje over het vmbo, waarna hij op uitnodiging van een school in Schagen een les bloemschikken volgde. ‘U begrijpt dat ik daardoor een heel ander beeld van het vmbo heb gekregen.’ 

Bij Grunberg, heb ik het idee, moet je de ironie laag voor laag afpellen, als bij een ui, tot je begint te vrezen dat er geen kern is.

Op de vraag wat hij nu precies ging doen als ambassadeur gaf hij niet direct blijk van ambitie: ‘in principe hoeft een ambassadeur niets te doen.’ Maar hij had wel plannen, hij zou misschien, als het uitkwam, lessen bezoeken.

Ik heb één jaar gewerkt op een vmbo-school, het was mijn eerste jaar als leraar. Na dat jaar vond ik dat vmbo-docenten een hoger salaris moesten krijgen. Dat vind ik nu nog steeds. Het was een Haagse school met extreem moeilijke leerlingen. Ze walsten over me heen. Ze gooiden met een basketbal door de klas, ik riep machteloos: ‘Hier die bal!’ Een jongen verscheen ineens voor het raam. Hij heette Roy, ik zal zijn naam nimmer vergeten. Roy’s kop stak uit een struik, en hij hield een keyboard vast. Hij zwaaide ermee, alsof hij het ding gewonnen had. Tijdens mijn les. Ik was geen ambassadeur, helaas, ik was de leraar. Ik was verantwoordelijk. Als Grunberg in die les gezeten had, dan was ik nu een romanpersonage, zo’n stakker met wie het slecht afloopt.

Misschien gaat Grunberg echt lessen bezoeken, dat zou ik sympathiek vinden. Maar ook al volgt hij honderd lessen, hij blijft een vip in een skybox. Hij zal de vmbo’ers bekijken alsof het grapjes van God zijn, interessante grapjes die hij niet goed snapt. De leerlingen zullen tegen Arnon opkijken, want hij is beroemd, en hij is vroeger van school gestuurd. Als hij lef heeft, en het ambassadeurschap hem ernst is, dan gaat hij een maand lang op het vmbo Nederlands geven. Ik beloof dat ik zo nu en dan mijn kop uit de struiken zal steken om te zien of het een beetje gaat. Deal, Arnon?

vrijdag 12 april 2013

Harlem Shake (Trouw column 10 april)


Mick uit 4 havo dendert mijn lokaal in, hij dendert zoals hij alle dagen dendert. Hij komt altijd vroeg alshij mij iets wil laten zien. Soms speelt hij iets op de piano, soms moet hij op YouTube. ‘Dit moet u zien meneer, dit is zooo vet!’ Voor ik het weet zit hij achter de computer. Mijn computer. Hij begint te typen, er komen meer havoklanten binnen, knullen met van die dikke skijassen. ‘Jaaaa, goat remix!’ roept één. Ik zie mijn mooie, uitgebalanceerde les alweer in rook opgaan. ‘Je lacht je echt helemaal gek, meneer’ zegt Mick. ‘Nee,’ zeg ik, ‘ik wil niet dat filmpje van die geit die door Whitney Houston heen mekkert.’ Hij kijkt mij kort met open mond aan, ik zie dat hij zich probeert te herstellen. ‘Justin Bieber dan? Met geit? Die is écht lachen.’ ‘Ik wil helemaal geen geit,’ zeg ik. ‘Geen geit. Zitten.’

Met zoveel vertoon van chagrijn word je niet populair, maar alles is beter dan veinzen dat je het allemaal hilarisch vindt, om popie-jopiepunten scoren. Ik ben daar heus niet vies van, van popie-jopiepunten, maar er zijn grenzen. Ik vind er meestal ook weinig aan, die YouTube-hypes. Ik hoef er nooit om te lachen. Het is aandoenlijk dat Mick mij zijn gevoel voor humor toevertrouwt, maar ik denk: houd het toch lekker voor jezelf jongen, het is van jou, jij bent zestien, ik niet.

Het mag niet baten. Ik ben de afgelopen maanden getrakteerd op Zanger Rinus (‘Eet veel bananen’), het animatiefiguurtje Kud (‘Instabiel, zei de kat’), een persiflage op Gers Pardoel (‘ik laat je thuis, achter het fornuis’) gezongen door een opgemaakte kleuter, en natuurlijk: de Harlem Shake. De Harlem Shake is dé hype van het jaar. Voor wie het gemist heeft: op een modderige dancebeat doet één persoon een dwaas dansje gedurende tien tellen. Dan volgt er een knip in het filmpje, en direct daarna zie je tien, twintig, of honderdduizend andere dansers raar doen op dezelfde muziek, op dezelfde locatie. Op het moment dat u dit leest worden er op de wereld waarschijnlijk meer Harlem Shakes gedaan dan kinderen geboren. Ook bij ons op school is het een gekkenhuis. Niemand voert meer wat uit, iedereen doet de hele dag de Harlem Shake. Er zijn klassen in een concurrentiestrijd verwikkeld wie de meeste Shakes voor elkaar krijgt. De leukste leraren beginnen zo’n Shake natuurlijk zelf, zoals de leraar Duits. Tweeduizend views op YouTube in drie dagen. Hoeveel popie-jopiepunten zijn dat? 

‘Ach, het was vijf minuten voor het einde van de les’ vertrouwde hij mij toe. ‘Ik wist niet eens wat het was. Het overkwam mij een beetje.’ Ik knikte begripvol, en hield mijn jaloezie verborgen. 

vrijdag 5 april 2013

Bezemwagen (Column Trouw 3 april)


Ik moet een keer ophouden over die reis, en dat zal ik ook doen, maar vandaag vertel ik nog over Kees. 

We lopen veel, en ik loop vaak naast Kees. Dat is geen toeval. Kees had niet zoveel zin in de reis omdat zijn vrienden niet mee waren. Nu weet hij niet goed in welk groepje hij thuishoort: dat van de stoere mannen of van, tja, de rest. De kopgroep of de bezemwagen. Er is geen rivaliteit, maar de waterscheiding is glashelder. In de kopgroep bepalen Sjaak en Joost het tempo. De jongens in de bezemwagen weten dat aanhaken zinloos is – ze draaien op het kleine verzet, om in wielertermen te blijven. Kees wil niet op het kleine verzet. 

Het resultaat is dat hij vaak naast mij loopt. Zo kom ik erachter dat hij van de Beatles houdt, dat zijn ouders gescheiden zijn, en dat hij een vriendin heeft. Hij is zachtaardig, invoelend - een goeie jongen. Toch maakt hij een wat hulpeloze indruk. Vaderlijke gevoelens komen boven. Ik zal hem uit de wind houden.

Sevilla. De voorlaatste avond. Ze willen stappen, en ik buig een beetje mee. Dus zitten we in een café vol jeugd, een tent waar ik zonder mijn 22 pubers niet eens naar binnen zou mogen. De meiden vinden het leuk mij voor te stellen aan de Spaanse jongens: ‘This is our teacher!’ ‘Ola!’ roep ik, en kijk de knullen vuil aan. Zo, die kijken wel uit verder. 

Aan de bar zitten vier blonde stoten. Ze dragen alle vier een zweetbandje met de Deense vlag erop. Onze kopmannen worden onrustig, want Kees is in geanimeerd gesprek met één van hen. Ik zeg dat ze zich geen zorgen hoeven te maken, Kees heeft immers een vriendin.

Er wordt gelachen, gepraat, er gebeurt van alles, vreemden duwen tegen mij aan, iemand geeft mij een biertje. Dan zie ik het: Kees staat te zoenen met die Deense meid. En niet zo’n beetje ook. Kees gaat met haar naar buiten. Als hij weer binnenkomt heeft hij de zweetband om zijn kop. Hij kijkt verrukt. De kopgroep is stilgevallen, men incasseert het verlies. Dan fluistert Joost iets in Kees’ oor. Het gezicht van Kees betrekt. Ik zie het allemaal gebeuren. Kees loopt naar mij toe. ‘We moeten even praten,’ zegt hij. ‘O ja?’ antwoord ik, ‘hoezo?’ ‘Nou, u heeft verteld dat ik een vriendin had. Dat was niet zo handig’ ‘Maar het is toch waar?’ stribbel ik tegen. ‘Jawel, maar het loopt al een tijdje niet zo lekker. Ik zit er al weken over te denken het uit te maken, en nu...’

Ik drink mijn glas leeg, wuif mijn vadergevoelens uit, en zak terug tot diep achterin de bezemwagen.

Gerwin in DWDD 28 januari 2010