zondag 19 februari 2012

Je moet bij hem zijn


De vierde stempelpost staat op het ijs. Het lijkt mij leuk om er met grote vaart op af te schaatsen, op het laatste moment te remmen, mijn stempelkaart op de toonbank te kwakken, netjes goedendag te zeggen en dan als de donder weer door te schaatsen. Alsof het de Elfstedentocht is, snapt u wel? Jammer genoeg gaat er iets mis bij het remmen, waardoor ik op mijn achterste val, doorglijdt als een hulpeloze walrus, en met mijn rug vol tegen het kraampje smak. Ik zie dat een paar mensen verschrikt omkijken, ze morsen er chocolademelk bij. Ik glimlach ter geruststelling en hijs mij op aan de toonbank. Ik kijk in het gezicht van een boer. Eigenlijk weet ik niet zeker of het een boer is, maar achter hem ligt een boerderij, en die staat hem wel goed. Hij kijkt niet bezorgd, maar hij lacht ook niet.

‘Eén mooie stempel alstublieft! Voor het kruisje!’ zeg ik, niet om grappig te zijn, maar om duidelijk te maken dat ik niet zomaar een malloot ben. Ik ben een malloot met een plan.
’Dit is de koek-en-zopie,’ zegt de boer, ‘je moet bij hem zijn.’ Hij wijst naar een potige kerel met een oranje retro-ijsmuts, die een paar meter verderop bij een opklapbaar tuintafeltje staat. Een kort en verschrikkelijk ogenblik denk ik dat het Ard Schenk is.
‘Je kwam veels te hard aan zonet,’ zegt hij als ik hem mijn stempelkaart offreer, ‘het is een wonder dat je je poten niet gebroken hebt.’ Pats. Stempel.

Er komt een groepje snelle schaatsers aan. Klapschaatsers in strakke kleding.
‘Er ligt daar iemand met een gebroken been op het ijs,’ roept er één. Als hij ons is genaderd zegt hij het nog een keer.
‘Ik doe de stempels,’ zegt de kerel met de ijsmuts. U moet naar die man daar, die is van de vereniging.’ Hij wijst naar een bejaarde in een geeloranje hesje die met een vlaggetje op de dijk staat. Hij regelt het verkeer bij de kluunplaats. ‘Er ligt iemand met een gebroken been...’ roept de klapschaatser. ‘Je moet naar ‘m toe lopen,’ zegt de ijsmuts, ‘hij is doof.’

Ik koop een beker chocolademelk bij de boer, voor €2. Het is Nutricia, aangelengd met water. Ik koop ook een kom erwtensoep. Die is van Unox, en smaakt naar sigarenas. Ik kijk naar de klapschaatser en de bejaarde op de dijk. Ze praten zeer luid, hun gesprek is woordelijk te verstaan. ‘U moet bij hem zijn!’ hoor ik de bejaarde met het vlaggetje zeggen. Hij wijst naar de boer. Ze wijzen hier wat af. ‘Hij heb een auto!’ De boer doet alsof-ie het niet hoort. Hij blijft liever bij zijn handel.

Ik wil best helpen, maar heb mij gediskwalificeerd met die val tegen de koek-en-zopie-kraam. Ineens voel ik mij moe en dringt het tot me door dat ik niet weet waar ik ben.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010