dinsdag 7 juli 2015

Gestolen Dagen (column Trouw 1 juli)

Het is een lome, warme middag. Plukjes scholieren fietsen door de stad, traag, zwabberend, en ogenschijnlijk zonder richting. Op een tijdstip dat normaal ‘het vijfde uur’ genoemd wordt vullen ze ineens de openbare ruimte. Ze zijn vrij, nu ja, misschien nog boeken inleveren, rapport halen, het voelt als vakantie. Deze dagen, waarin hun leraren saai nakijkwerk doen, vergaderen, opruimen enzoverder, zijn voor de leerlingen de mooiste dagen van het jaar. Al zijn die oelewappers zich daar natuurlijk helemaal niet van bewust, die doen maar wat, alles gaat vanzelf en niets noopt tot reflectie.

Het is mijn vrije dag, en ik vermaak mij met het observeren van die plukjes. Ze gaan naar het zwembad, ijs eten, shoppen zonder geld, of naar de Mac. Vroeger waagde ik het wel eens ze terecht te wijzen, vriendelijk bestraffend (‘Niet met zijn drieën naast elkaar op het fietspad jongens!’). Nadat ik was gepasseerd hoorde ik altijd gegniffel. Woede steeg dan naar mijn hoofd, ik had me willen omdraaien om ze eens de waarheid te zeggen. Maar ze zijn onaantastbaar, ze zijn van hun leraren en andere kwelgeesten verlost. 

Die fout maak ik nu niet meer, ik laat ze begaan. In de supermarkt stuit ik op zo’n plukje. Ze zijn niet van mijn school. Met zijn tienen verdringen ze zich voor de kassa om één blikje Red Bull af te rekenen. ‘Pardon...’ zeg ik, want ik wil mijn boodschappen graag op de band leggen. ‘Moven! Er wil er één langs!’. Duwen en trekken. ‘Hé, doe ’s chill, gast’. ‘Sorry meneer, hij wil niet aan de kant.’ Dat bekende samenzweerderige gegrinnik. Geduld, gun het ze vandaag, over een week zitten ze op de camping met hun ouders.

Dit zijn gestolen dagen, dagen van kriebelend gras en klotsend water. Geen school meer, maar de officiële zomervakantie heeft de kleefstof die de kunstmatige eenheid ‘klas’ bij elkaar houdt, nog niet opgelost. Mijn zoon heeft het tweede jaar op het gymnasium erop zitten. Hij gaat deze dag met klasgenoten ergens langs de Vliet zwemmen en in het gras liggen. Of zoiets. Het is via Whatsapp geregeld. Hij moet twee flessen Fanta meenemen, dat is alles wat ik weet. Ik heb dus nog wat vragen.
‘Wie komen er allemaal?’
‘Weet ik niet.’
‘Tot hoe lang duurt het?’
‘Weet ik niet.’
‘Gaat er ook een leraar mee?’
‘Huh? Nee, natuurlijk niet.’

Daarna vliegt hij de deur uit. Verschrikkelijk veel zin heeft hij in al deze onduidelijkheid. 

Dat is vakantie, dat je een ruime hoeveelheid Niets om je heen schept. Dat lukt het best als je dertien bent, op deze gestolen dagen. Soms ga ik, tussen twee rapportvergaderingen door, in het gras van het sportveld liggen, en dan voel ik het ook.

2 opmerkingen:

  1. Gerwin, mijn op merking gaat niet over dit stukje, maar over je column in De Tijd van 9 april jl. Mooi, waar en aangrijpend. Dat wilde ik even kwijt.

    BeantwoordenVerwijderen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010