maandag 9 november 2009

Boekenbal (2, slot)

De man met de tas liep altijd naar die tafel. Daar zette hij zijn tas neer - altijd op dezelfde plek – pakte een boek - altijd hetzelfde boek – en ging er in lezen.

Het was een dienstknecht, of een dienstmaagd, dat boek, zo één waar ze nooit meer dan drie exemplaren van op voorraad hielden. De omslag was het jonge meisje wel opgevallen, door die oranje brommer, maar ze had er nog niet één van verkocht. Als er andere klanten waren stond de man daar heel nadrukkelijk te lezen, het jonge meisje wist niet dat je zo opzichtig kon lezen. Het was alsof hij voorlas maar de woorden achter zijn tong bleven plakken. Na een poosje legde hij het weer terug, dan deed hij alsof hij andere boeken uitzocht. Maar die las hij nooit, hij keek alleen bedachtzaam naar de achterflappen en legde ze hoofdschuddend terug. Daarna pakte hij nog één keer het boek met de brommer, las nog wat, hield het omhoog en legde het weer terug.

Als hij de winkel uit was liep het jonge meisje wel eens naar de plek waar hij had gestaan, en dan zag ze iets raars. Van een dozijn didi’s die in de buurt van het boek met de brommer lagen, was de achterzijde naar boven gekeerd in plaats van de omslag, het was net alsof de brommer de andere boeken had onderworpen, zijn eigen dienstknechten en dienstmaagden. Het jonge meisje legde ze dan gauw weer goed, zonder de geitenbreier er bij te halen.

Vandaag was anders.

In de eerste plaats stond zijn kraag niet overeind, en de muts was ook niet op. Hij groette haar! Vervolgens liep hij naar de grote tafel. Hij bleef staan en zag wat het jonge meisje al wist: de boeken met de brommer lagen niet meer op de tafel. De grijze geitenbreier had ze verplaatst naar de grote kast met fictie. De grote kast was de voorhof van de vergetelheid, ze mochten daar nog een maand, hooguit twee antichambreren, die boeken, wennen aan het idee dat het gedaan was, dat het slachthuis wachtte, en dat dat goed zou zijn.

Het jonge meisje keek wat de man zou gaan doen. Ze zag zijn blik van links naar rechts over de grote tafel gaan, zoals je in het rond kijkt als je fiets is gestolen. Hij liep om de tafel heen, twee, drie keer. Hij nam de tas op de andere schouder. Nu hingen beide schouders zwaar en moe, hij boog voorover en bleef zo een tijdje staan, als een verzakte wilg. Hij richtte zich op en liep naar de kast, het jonge meisje kon duidelijk zien dat er weer een doel achter zijn passen zat. Hij wist kennelijk waar hij moest zijn, want hij pakte een boek uit de grote kast en liep direct terug naar de kassa, naar haar! Hij legde het boek op de toonbank met de omslag boven. Het was het boek met de brommer.

“Deze wordt het?” zei het jonge meisje.

“Ja, deze graag” zei de man.

Ze draaide het boek om, om de barcode te scannen. Voor het eerst zag ze de foto. Ze schrok, keek hem aan. Hij zette juist zijn kraag omhoog. Ze keek nog eens naar de foto, daarna weer naar hem. Hij tuurde op zijn bankpasje.

“Eh, pinnen meneer?”

“Ja graag”

“Is het een cadeautje?”

“Nee, eh ja, doe maar gewoon in een zakje”

“Veel leesplezier en tot ziens!”

Hij griste de papieren zak van de toonbank, propte het in zijn schoudertas en haastte zich de winkel uit zonder nog om te kijken. Bijna rennen was het.

6 opmerkingen:

  1. Lieve ontgoochelde man!
    Mooi dat ie niets zegt!
    (maarre: is het niet antechambreren? Ben zelf te moe om het op te zoeken, maar mijn juffenoog bleef haken)

    Pullycle

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Je eerste deel vond ik mwah. Je tweede: Klasse!
    Ook helemaal op zichzelf staand, ook zonder deel 1 (of misschien juist zonder deel 1, maar ik moet eerlijk zijn, heb deel 1 niet herlezen)
    zeer goed te pruimen! Hopelijk geen self fulfilling prophecy...

    spitif!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ah, rondkijken zoals je doet wanneer je ontdekt dat je fiets is gestolen, die is tof,
    en Schrikkel, ja ik zie de self fulfilling prophecy wel staan in iedere boeken winkel op zijn route, met zijn geantisjambreerde boek in de hand. :)
    ( ik weet het, 't is laat, 't was babytime..)

    BeantwoordenVerwijderen
  4. De schrik van iedere schrijver, nu moet hij vrienden maken, zorgen dat ze hem bij zich thuis uitnodigen zodat hij in hun boekenkasten kan kijken of het boek met de brommer er nog wel staat.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. De schrijver had voor de zevende achtereenvolgende nacht dezelfde droom. Hij ging hoopvol de boekwinkel binnen, liep naar de tafel waarop de dag tevoren nog het nimmer afnemend stapeltje van zijn debuutroman had gelegen en zag dat het verdwenen was. Zijn levenswerk was definitief verplaatst naar de grote kast tegen de muur, het sterfhuis van de literatuur. Iedere morgen was hij direct daarop huilend wakker geworden, maar dit keer drukte het meisje achter de kassa op de alarmbel en schreeuwend holde hij de winkel uit. Hij sloeg wild om zich heen en raakte de wekker die niet stopte. Het was de deurbel. Slaperig keek hij uit het raam naar beneden. Op de stoep voor zijn deur stond een cameraploeg.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Beste anoniem, wat een perspectiefverandering al niet kan doen. Merci.

    BeantwoordenVerwijderen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010