maandag 26 september 2011

F.B. Hotz, het leven

Ik fiets bijna dagelijks langs het huis van Hotz, op weg naar mijn school. Het huis ligt aan de Rijnsburgerweg, tussen Leiden en Oegstgeest. Gelukkig weet bijna niemand van dat huis, en als ze het wisten zou het ze koud laten, want haast niemand leest Hotz. Dat is erg jammer. Aan de andere kant, het zou ook maar vreselijke opstoppingen geven op de toch al overvolle Rijnsburgerweg, als iedereen ineens interesse zou tonen. Het huis heeft een mooie gevelsteen gekregen. Het heeft iets te maken met weerspiegelingen van de tram die Hotz als kleine jongen zag in de bolle vazen op de vensterbank.

Ik lees de biografie over Hotz met veel genoegen. En langzaam, zeer langzaam. Het verbaast menigeen dat er zo’n dik boek over zo’n saai leven geschreven kan worden. Ik vind het juist het een grote troost voor de mensen, dat dat kan.

Van Hotz kan je leren dat er twee dingen nodig zijn om een goede schrijver te worden: gevoel voor stijl en een fenomenaal geheugen. Die man herinnerde zich werkelijk alles van zijn kindertijd. Wat een zegen voor een schrijver! Je vindt zijn vroegste herinneringen terug in veel verhalen. En veel van die herinneringen komen uit dat huis aan de Rijnsburgerweg. Hij kon zich ook de grote treinramp bij Leiden de Vink herinneren, september 1926. Hij was toen vier en hoorde een onheilspellende dreun, en kort daarop de sirenes. Zijn moeder trok hem naar binnen.

Toen hij achttien was zocht hij alles uit over dit treinongeluk. Hij vatte bovendien een levenslange belangstelling op voor machines en techniek, in het bijzonder voor de momenten dat de onbeheersbare krachten in die machines zich tegen de mens keren (denk aan De tramrace en Ernstvuurwerk). Hij zocht ook alles uit over de slachtoffers van de ramp. Er waren vier doden. Een van de ernstigst gewonden van het ongeluk was een mevrouw die woonde in de Breestraat, en die een voet verloor. Ze wilde naar het toneel, maar die droom was in duigen. Even verbeten als vergeefs bleef ze vechten om schadeloosstelling. De spoorwegen boden haar een vakantie naar Katwijk aan, en één steunzool. Aldus is zij een voetnoot in de rechtsgeschiedenis. Vele jaren laten maakte Hotz van deze vrouw een personage in de novelle De voetnoot (1990). Hij noemt haar ‘Ina’. In het boek loopt het niet goed af met Ina. Ze sterft aan de gevolgen van een operatie aan haar been.

Ik smul van deze verhalen. Maar dan komt Aleid Truijens, de auteur van de biografie, met een zin die mij verontrust:

“Er is één postume troost voor ‘Ina’. Ze bracht het tot hoofdpersoon in een van de mooiste novellen die in de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw zijn geschreven. ‘Ina’ heeft toch niet voor niets geleefd.”

Het lijkt mij dat Truijens hier iets aardigs voor Ina wil zeggen, uit mededogen. Maar de schrijfster veronderstelt twee dingen. Het eerste: er bestaat zoiets als postume troost. Dat lijkt mij hoogst onzeker. Zou Truijens de biografie als postume troost voor Hotz beschouwen?De tweede veronderstelling grijpt me bij de strot: ‘Ina heeft niet voor niets geleefd’. Au. Hebben wij voor niets geleefd als wij het niet schoppen tot personage in een roman of novelle van een groot schrijver? Of geldt dit alleen voor mensen als Ina, die hun dromen en hun voeten vermorzelt zien onder een trein? Zomaar ineens zegt de schrijfster iets waar ik bang van word: het is heel erg om voor niets geleefd te hebben.

Het is een prachtig boek. Maar ik denk dat Hotz deze zin van Truijens over postume troost en 'voor niets leven' afgekeurd zou hebben. Ik hoop het in ieder geval.


Aleid Truijens, Geluk kun je alleen schilderen, F.B. Hotz, het leven

1 opmerking:

  1. Tegenwoordig heeft iedereen het over Hotz! Het wordt tijd dat ik me ook eens in hem ga verdiepen.
    En dan die Rijnsburgerweg daar werd mijn nichtje Lena ( Kala Kala hoofdstuk 11) door een dronken automobilist op 2e kerstdag 1953 doodgereden. Ja de wereld is klein en zit stik vol herinneringen.

    BeantwoordenVerwijderen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010