maandag 12 september 2011

Kleedkamerhumor

Het woord ‘kleedkamerhumor’ staat niet in mijn D. van Dale. Wat mij betreft ten onrechte. Zonder kleedkamerhumor zou ik, geloof ik, niet goed kunnen leven. Kleedkamerhumor kan omschreven worden als een vorm van grappenmakerij ten koste van een ander, die desondanks goedmoedig is, en waarbij de humorist en het slachtoffer beide in hun blote reet staan. Dat kan ook overdrachtelijk, je hoeft er niet per se voor in een kleedkamer te zijn, maar het helpt wel. Een kleedkamer is immers een plek waar niemand meer weet welke stank precies van wie is.

‘Sorry jongens, vanaf volgende week speel ik in een hoger elftal.’

‘Lazer op, Gerrit, echt niet!’

‘Niet gaan janken dames. Is het zo erg?’

‘Ja, heel erg, want dan zien we je vrouw nooit meer.’

Muzikanten zijn vileiner in hun kleedkamerhumor. Dat komt omdat zij ijdel zijn, en overgevoelig. En omdat de meesten niet eens een kleedkamer hébben.

‘In die bridge miste jij dat a mineur akkoord.’

‘Hoor hem! Dus jij hoort het verschil niet tussen een C en een a mineur akkoord?’

‘Nee, niet als jij het speelt.’

Onder motorrijders is het doelwit van kleedkamerhumor niet de mens, maar de machine, en juist daarom is deze variant zo verrukkelijk meedogenloos. Het stuk haperende techniek kan zich immers niet verdedigen, en de mens mag zijn motor nooit afvallen op de momenten dat het olieverbruik, het brave viercilinder-karakter of de sneue valbeugels op de hak genomen worden. Zo valt de eigenaar samen met de gebreken van zijn eigendom. Als je de motorfiets klunzig laat omvallen, bijvoorbeeld tegen de betaalautomaat van een tolpoortje, dan ben je helemaal gezien. Je kan dan enkel afwachten en hopen op een fout van je tegenstanders vrienden.

Want hier gaat het om: kleedkamerhumor is een sterke aanwijzing dat je vrienden hebt. Ik zeg: een aanwijzing. Geen bewijs. Voor bewijzen moet je niet bij mij zijn. Ik weet het, vriendschap en vertrouwen zijn woorden die ruiken als een oude sporttas, maar evengoed horen ze bij de ware KKH als al die blote konten.

Er is ook valse kleedkamerhumor: de spot van verwerpelijke lieden die zelf niets op het spel zetten.

‘Kenne we je boek al kopen voor 'n ramsjprijs?’, ‘Als je ‘m signeert is-ie zeker niks meer waard!’, ‘Wanneer ga j d’r uit voorlezen in DWDD, met een lekkere beat eronder?’

Die laatste heb ik trouwens zelf verzonnen. Je kan de barbaren soms beter voor zijn en je eigen winkel plunderen. Kleedkamerhumor te moeten ondergaan van lui die je in de verste verten niet tot je vrienden rekent – God wat een beproeving. Jij staat in je blote reet, en die klootzakken houden hun kleren aan.

1 opmerking:

  1. Anna Karenina, achtste deel: 'Nee, ik kan niet met hen debatteren, zij dragen een ondoordringbaar masker en ik ben naakt.'

    BeantwoordenVerwijderen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010