vrijdag 1 maart 2013

Het duel (Column Trouw 26/2)


Ik neem gemakshalve aan dat we de laatste sneeuw van het jaar nu wel gezien hebben. Het is mooi geweest, we hebben het spul niet meer nodig. Er is meer dan genoeg gelegenheid geweest kleine onrechtvaardigheden recht te zetten met een welgemikte sneeuwbal. Want dat is waar sneeuw op het schoolplein goed voor is: kleine, zoete wraak.

Een sneeuwbal die ik nooit zal vergeten was een sneeuwbal die mij niet raakte, die mij nooit had kunnen raken, want er zat een stevige ruit tussen mij en de werper. Maar hij was wel degelijk voor mij bedoeld.

Ik was stagiair op een school in Doorn, had de verantwoordelijkheid over een paar onderbouwklassen en moest het zien te redden zonder stagebegeleider. Dat ging slecht. ‘Wanneer komt meneer De Boer weer terug?’ vroegen de kinderen mij iedere ochtend. Misselijk begon ik aan mijn werkdag. Toch was er maar één jongen die een serieuze hekel aan mij had. Dat kwam, denk ik, omdat ik hem eruit had gestuurd terwijl hij vond dat hij niets verkeerd deed. Hij heette Harro. Misschien had Harro wel gelijk, ik kon de chaotische situaties in de klas totaal niet beoordelen. Vanaf die dag haatte hij mij, ja, het moet haat zijn geweest wat in die kop broeide. Zijn gezicht leek eeuwenoud als hij mij aankeek. Het was niet op te lossen, ik moest zijn verachting ondergaan, en hij mijn onverzettelijkheid.

Zijn haat vond een uitweg toen er sneeuw lag. Hij moet in de pauze lang op mij gewacht hebben. Maar ik kwam niet. Ik zat in mijn lokaal, so’tjes na te kijken. Toen kwam die doffe dreun. Baf! De ruit trilde in zijn sponningen. Tegen het glas plakte een kwak sneeuw die langzaam naar beneden zakte. Een meter of tien verderop zag ik Harro staan. Hij keek mij brutaal aan, hij lachte niet, rende niet weg. Verder was er niemand, althans niet in mijn herinnering. Het was iets tussen Harro en mij en het leek een eeuwigheid te duren.

Ik wenste op dat moment dat die sneeuwbal dwars door de ruit was gegaan, en samen met een handvol glasscherven tegen mijn gezicht was geslagen, dat Harro zich kapot geschrokken was en dat ik - afgevoerd met bebloed gezicht - had kunnen zeggen: ‘het is niets, het is niets, maak je geen zorgen Harro,’ en dat hij geroerd door mijn vergevingsgezindheid zou rondbazuinen dat ik de beste leraar van de school was.

Maar dat gebeurde allemaal niet. Die sneeuwbal droop langs de ruit, en wij zaten allebei gevangen achter glas en de winter was nog maar net begonnen. Ik weet niet meer wie het eerst wegkeek, hij of ik.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010