vrijdag 5 december 2014

Goed zonder bal (column Trouw 3 dec)

Al sinds mensenheugenis hebben we op school een zaalvoetbalteam van docenten, en om onduidelijke redenen maak ik daar al sinds jaar en dag deel van uit. Het team bestaat voor driekwart uit fitte gymleraren van drie├źntwintig, en voor de rest uit een leraar Engels met een haarband, een angstaanjagende doelman met een rode baard, en ik dus.

Wij spelen alleen wanneer wij dat willen, en tegen wie wij willen. Tegen bovenbouwers dus, bij voorkeur tegen knapen met wie wij nog een appeltje te schillen hebben. Als wij van ze winnen, gaan ze moeilijke maanden tegemoet. Als wij verliezen dan gaan wij bier drinken en zeggen dat het eigenlijk best aardige jongens zijn.

Zo gaat dat al jaren.
Blijft de vraag wat ik daar doe.
Ik weet het eerlijk gezegd niet. Niemand weet het. Misschien was er die dag, lang geleden, een gymleraar ziek en vroegen ze mij omdat ik toevallig de enige collega was die niet op krukken liep. Inmiddels heb ik een hele generatie jonge gymleraren overleefd en sta ik nog steeds in het basisteam. Of liever gezegd, ik ben nooit verwijderd uit de mailinglijst.

Afgelopen vrijdag speelden wij na lange tijd weer samen, in een kraker tegen voetballers uit de examenklas. Voor de wedstrijd gaf ik ze allemaal een hand. Het viel me op dat ze helemaal niet vriendelijk tegen me deden. Er kon geen grapje af. De koppen stonden strak, zeg maar. Na vijf minuten had ik nog geen bal gehad (let wel, het is zaalvoetbal), maar wel drie knullen van scoren afgehouden door in de weg te lopen. In de weg lopen is mijn specialiteit. Cruijff zou zeggen: hij is goed zonder bal.

Ze kwamen 0-1 voor, maar gaandeweg werden wij beter. Piepende schoenen, gehijg, geroep, doelpunten. Vlak voor tijd stond het 2-2. Toen ging het fout. Ik speelde de bal helemaal verkeerd door het midden, een lange jongen met feloranje voetbalschoenen onderschepte de bal en liet Roodbaard kansloos met een loeihard schot, laag in de hoek. We verloren met 2-3.
Het was mijn schuld, honderd procent, maar niemand die het zei.


In de kleedkamer werden grappen gemaakt waar ik wijselijk niet aan meedeed. Na een tijdje zei ik dan maar: ‘Sorry jongens.’ Daarna pakte ik de tas met de stinkende shirtjes op, om te laten zien dat ik mijn plaats wist. ‘Nee joh, laat maar,’ zei Sven, een gymmende godenzoon wiens moeder nog iedere week met liefde de was voor hem doet. Je moet Van der Werf zo weinig mogelijk te doen geven, leek het beleid, zowel in als buiten het veld. Het deerde mij niet, het was mooi. Maar de volgende wedstrijd moet beter. Ik stel nu eenmaal hoge eisen aan mijn docentschap.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010