vrijdag 6 maart 2015

Mal (Boekenweek 2015)

Het thema van de Boekenweek is waanzin, met een hoofdletter, en een uitroepteken erachter: Waanzin! Ik weet niet waarom dat uitroepteken nodig is, het verpest het een beetje wat mij betreft. Moet er weer bij geschreeuwd worden? Ik doe even niet mee, ik wil op zachte toon spreken over Nescio.

In DWDD, een programma waar heel vaak geschreeuwd of in ieder geval heel hard gepraat wordt, spraken voormalige schrijvers van het boekenweekgeschenk over hun favoriete literaire gekken. Tom Lanoye kwam niet al te verrassend uit de hoek met Hamlet, Tommy Wieringa met Kurtz aka Kolonel Kurtz (geen woord over Conrad meen ik, wel over Coppola), Kader Abdollah verstond ik niet goed, hij had het over ‘wielerliteratuur’ en 1001 nachten, ik kreeg die twee niet bij elkaar, ik sluit niet uit dat Kader zich wilde manifesteren als de Waanzin in eigen persoon. In kranten en tijdschriften is inmiddels een stoet literaire gekken langs getrokken, iedere gek zijn geestdrijver, iedere waanzin haar bewonderaar.

Ik mis in het getetter de zachte stem van Nescio. Ik begrijp niet waarom hij, de enige echte heilige in de Nederlandse Letteren, nog niet genoemd is in het Boekenweekrumoer, althans niet voor zover ik weet. Waanzin, met uitroepteken, het is ook zo’n groot woord. Het pas niet zo bij Nescio. Laten we spreken van ‘mal’, zoals Nescio zelf deed. Zoals ik het zie draaien Nescio’s beroemde verhalen om de spanning tussen onaangepastheid (in pathologische vorm kan je dit waanzin noemen) en een ‘normaal’ burgermansbestaan. De grens tussen mal en normaal, precies daar, de plek waar je nog een keuze lijkt te hebben, daar staan Nescio’s personages.

In de beroemdste openingszin uit de Nederlandse literatuur (ex aequo met W. F. Hermans’ invalide portier) maken we kennis met de uitvreter. Vooruit, daar komt-ie nog maar eens:

‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’

Wonderlijk of mal: onaangepast, dat is de uitvreter zeker. 

‘Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen aan, als je ’s avonds laat thuis kwam. Den uitvrete,r die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.’

Verder maken we natuurlijk kennis met de verteller Koekebakker en zijn vrienden Bavink, Bekker en Hoyer. Er is al zoveel over hen gezegd nietwaar? Ze lopen door Amsterdam, ze praten, ze drinken, hun ongebonden adolescentenleven speelt zich af op de grens van onaangepastheid en burgerlijkheid. Ze lijken nog de keuze te hebben voor het een of het ander. Schilder Bavink neigt naar waanzin (later is hij ‘mal geworden’). Bekker en Hoyer geven zich gemakkelijk over aan de sleur van het burgermansbestaan. Koekebakker staat ertussenin, hij observeert, hij twijfelt af en toe.

De aantrekkingskracht van uitvreter Japi op Koekebakker zit ‘m in het gegeven dat Japi wel lijkt te varen bij zijn onaangepastheid, met z’n reisjes, wandelingen, parasietengedrag en opgewekte praatjes. Dat maakt hem bij Koekebakker niet zozeer geliefd (hij is buitengewoon vrijpostig en hinderlijk) als wel een interessante casus: is het werkelijk mogelijk, leven zonder je aan te passen, zonder vast werk, zonder vaste verblijfplaats, ‘versterven’ zoals Japi het noemt?

Dat blijkt weerbarstiger dan gedacht. Steeds vaker wordt Japi in ontredderde staat aangetroffen, begint hij vreemde en sombere praat uit te slaan, over de rivier die altijd maar naar het westen stroomt en de mensen die altijd maar willen blijven tobben. Na het bericht van Japi’s dood, wanneer deze van de brug is gesprongen ('Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt'), spreekt Koekebakker de lezer nog eenmaal toe. Hij praat als Japi, hij praat in de geest van Japi zou je thans zeggen, uit weemoed misschien, maar ook omdat Japi in hemzelf is gaan zitten.

‘De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van de Dag nog. Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.’

Bavink werd mal, net als Japi. Hoyer en Bekker werden ‘stakkerig wijs’, net als Koekebakker, die stilletjes, zonder uitroeptekens, op de grens blijft balanceren. Mal worden of toch maar aanpassen? En dan misschien alsnog mal worden? Of tenminste ongelukkig? Die spanning, daar op de grens, die levert grote literatuur op. In handen van Nescio althans.


In het hele oeuvre van Nescio zult u trouwens geen enkel uitroepteken aantreffen. Nu ja, een- of tweemaal wanneer het Dichtertje aan het woord is. Maar die is dan ook behoorlijk mal geworden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Gerwin in DWDD 28 januari 2010