maandag 15 november 2010

Splinters

Rinus Leenman zag zijn naam staan op een bankje in het park. Dat wil zeggen, in een flits meende hij dat te zien: zijn naam, gekerfd in de rugleuning. Hij kwam dichterbij. Het was donker, koud, en hij had een paar borrels op. De straatlantaarn die naast het bankje stond wierp een kil, wit licht.

Hij had zich vergist, het was niet zijn naam. Er stond: “Kanker Jonas Leenman” in keurig uitgesneden blokletters. Er was werk van gemaakt. Hij bleef er een tijdje naar staren, alsof hij verwachtte dat de letters zichzelf uit schaamte zouden uitwissen nu ze eenmaal gezien waren. Jonas, mijn zoon, dacht hij, Jonas mijn zoon mijn zoon.

Hij hoorde voetstappen achter zich. Snel ging hij zitten , met zijn rug tegen Jonas Leenman, de arm losjes over Kanker.

Een man trok een hond achter zich aan. De hond bleef dralen bij het bankje. Hij snuffelde aan Rinus’ schoenen. Als de man het idee kreeg ook te gaan zitten, dan zou Rinus moeten opschuiven. En dat wilde hij niet, dan moest hij de naam van zijn zoon prijsgeven.

Jonas was dertien en zei nooit iets.

De man groette en trok zijn hond verder. Er zouden meer mensen komen, met of zonder hond, vanavond, en morgen, overmorgen. Hij zocht door zijn zakken, vond een oud zakje Fisherman’s Friends. Hij wurmde er een pastille uit, stak hem tussen zijn lippen. Het snoepje had te lang in de zak gezeten, het was smakeloos en futloos, een harde kiezel die uiterst traag oploste in zijn mond.

Er kwam nog een man voorbij, hij had een sigaret in de mond en groette niet.

Rinus voelde de kou aan zijn voeten vreten, zijn achterwerk verstenen. Waarom was hij geen roker? Hij had er wat voor willen geven een roker te zijn. Alleen rokers konden op bankjes hangen zonder al te veel argwaan te wekken. En hij zou hier nog wel een tijdje zitten. Hij zou moeten wachten tot er iemand langskwam met een beitel, een motorzaag of een dopsleutelset.

De pastille sleet op zijn tong af tot een scherf. Hij beet erop. Splinters verspreidden zich in zijn mond, zochten een zacht plekje om zich in te boren. Hij boog voorover, spuwde de splinters uit. Gauw drukte hij zijn rug weer dicht tegen zijn zoon aan, tegen zijn naam althans. Hij blikte omhoog, staarde in het licht van de lantaarn, probeerde daarachter de nacht te zien, en tot hoe ver die reikte.

3 opmerkingen:

Gerwin in DWDD 28 januari 2010