dinsdag 28 februari 2012

Een slecht mens

Je hoort wel eens van kinderen die achttien jaar lang door hun ouders in een kelder zijn opgesloten, die slecht te eten krijgen, weinig daglicht zien, geen mobieltje of een abonnement op de Donald Duck hebben, geen verzen mogen schrijven, slechts eenmaal per dag naar het toilet kunnen, enzovoorts. Deze praktijken zijn niet goed te praten, ik vind het zelfs ronduit, eh, heel erg. Ik heb hier een uitgesproken mening over. Dat u maar weet waar ik sta.
En toch, en toch… ondanks mijn hoge morele eisen – kom er nog maar eens om – en mijn onbesproken gedrag in alles behalve snelheidsovertredingen, ben ik bang. Bang dat ik mijn kinderen evenveel schade toebreng als die cipiers van hun eigen kelders. Het is domweg niet uit te sluiten. Voetbalkeepers zijn zo goed als hun grootste blunder, mensen zo goed als hun slechtste daad.
Dit weekend kwam ik niet opdagen op het concert van mijn dochter. Ze is 7 en ze speelt cello. Ze had een uitvoering, en ik dacht dat het om 16 uur begon, maar ik had mij vergist – ik had te achteloos en met te weinig interesse de flyer gelezen. Het was 15 uur, het concert. Toen ik kwam was het al voorbij. Zelfs voor het slotapplaus was ik te laat, ik kon enkel nog klappen voor de trotse ouders en behulpzame kinderen die netjes hun stoelen aan het stapelen waren.
Ze huilde niet – mijn dochter, zoals die opgesloten kinderen in donkere kelders ook zelden huilen (dit heb ik van horen zeggen), ze sprak geen verwijt uit. ‘Dacht je niet ‘waar blijft-ie nou?’ vroeg ik radeloos. Nou, ze had wel af en toe naar de deur gekeken, als er iemand binnenkwam. En ze had gedacht: moet ik straks alleen naar huis fietsen met die cello?
In wroeging kan je wonen. Het is een onmetelijk land dat je helemaal voor jezelf hebt. En schaamte is een klein kamertje zonder ramen, waarvan je de sleutel hebt ingeslikt, tegelijk met een hoop sterke drank. Kom op met die verwijten, dacht ik, verlos me.
Ze vroeg of ze thuis nog even tv mocht kijken. Ik zei dat het mocht.

zondag 19 februari 2012

Je moet bij hem zijn


De vierde stempelpost staat op het ijs. Het lijkt mij leuk om er met grote vaart op af te schaatsen, op het laatste moment te remmen, mijn stempelkaart op de toonbank te kwakken, netjes goedendag te zeggen en dan als de donder weer door te schaatsen. Alsof het de Elfstedentocht is, snapt u wel? Jammer genoeg gaat er iets mis bij het remmen, waardoor ik op mijn achterste val, doorglijdt als een hulpeloze walrus, en met mijn rug vol tegen het kraampje smak. Ik zie dat een paar mensen verschrikt omkijken, ze morsen er chocolademelk bij. Ik glimlach ter geruststelling en hijs mij op aan de toonbank. Ik kijk in het gezicht van een boer. Eigenlijk weet ik niet zeker of het een boer is, maar achter hem ligt een boerderij, en die staat hem wel goed. Hij kijkt niet bezorgd, maar hij lacht ook niet.

‘Eén mooie stempel alstublieft! Voor het kruisje!’ zeg ik, niet om grappig te zijn, maar om duidelijk te maken dat ik niet zomaar een malloot ben. Ik ben een malloot met een plan.
’Dit is de koek-en-zopie,’ zegt de boer, ‘je moet bij hem zijn.’ Hij wijst naar een potige kerel met een oranje retro-ijsmuts, die een paar meter verderop bij een opklapbaar tuintafeltje staat. Een kort en verschrikkelijk ogenblik denk ik dat het Ard Schenk is.
‘Je kwam veels te hard aan zonet,’ zegt hij als ik hem mijn stempelkaart offreer, ‘het is een wonder dat je je poten niet gebroken hebt.’ Pats. Stempel.

Er komt een groepje snelle schaatsers aan. Klapschaatsers in strakke kleding.
‘Er ligt daar iemand met een gebroken been op het ijs,’ roept er één. Als hij ons is genaderd zegt hij het nog een keer.
‘Ik doe de stempels,’ zegt de kerel met de ijsmuts. U moet naar die man daar, die is van de vereniging.’ Hij wijst naar een bejaarde in een geeloranje hesje die met een vlaggetje op de dijk staat. Hij regelt het verkeer bij de kluunplaats. ‘Er ligt iemand met een gebroken been...’ roept de klapschaatser. ‘Je moet naar ‘m toe lopen,’ zegt de ijsmuts, ‘hij is doof.’

Ik koop een beker chocolademelk bij de boer, voor €2. Het is Nutricia, aangelengd met water. Ik koop ook een kom erwtensoep. Die is van Unox, en smaakt naar sigarenas. Ik kijk naar de klapschaatser en de bejaarde op de dijk. Ze praten zeer luid, hun gesprek is woordelijk te verstaan. ‘U moet bij hem zijn!’ hoor ik de bejaarde met het vlaggetje zeggen. Hij wijst naar de boer. Ze wijzen hier wat af. ‘Hij heb een auto!’ De boer doet alsof-ie het niet hoort. Hij blijft liever bij zijn handel.

Ik wil best helpen, maar heb mij gediskwalificeerd met die val tegen de koek-en-zopie-kraam. Ineens voel ik mij moe en dringt het tot me door dat ik niet weet waar ik ben.

zondag 12 februari 2012

Ineens is het mijn zoon

Het is acht uur in de ochtend, het is donker, en overal zijn haastige mensen die net als ik niet naar hun werk willen. De rotonde op de Rijnsburgerweg. De bocht des doods. Ik buig af, kan zien dat de grijze Audi niet voor mij gaat stoppen. Ik knijp vol in mijn remmen. Er is een jongen van een jaar of dertien die het niet ziet. Hij wordt geschept door de wagen. 

Een geweldige klap. De jongen rolt over de motorkap, en dan op het asfalt. De jongen schreeuwt, en ineens is het mijn zoon. Mijn zoon ligt daar op het asfalt te kreperen. Ik ben afgestapt. Vanaf dat moment doe ik werkelijk alles fout. Ik sleep mijn zoon van de weg af. Ik roep dat iemand 1-1-2 moet bellen.

Je moet niet met een gewonde gaan slepen. Je moet hem laten liggen en dingen vragen. Je moet verdomme niet gaan roepen. Je moet geruststellende dingen zeggen, zoals je in films ziet, van dat het allemaal goed komt. Ook als je weet dat het absoluut nooit meer goed komt. Juist dan. ‘it’s okay son, it’s okay – look at me, don’t give up, don’t you dare give up on me...’ Ik weet best wat je moet zeggen, jammer genoeg weet ik het alleen in het Engels.

Toen ik 4 was ben ik zelf aangereden. Ik vloog door de lucht en klapte op het asfalt. Ik herinner het mij. Als ik wil vlieg ik daar weer. Iemand tilde mij op. Ik denk dat het mijn vader was. Die wist dus ook niets van EHBO. Niemand zei iets tegen me.

Er dromt volk om ons heen. Gelukkig komt er een jonge man bij die wél weet wat men in zo’n situatie moet doen. Hij heeft een cursus gehad. Hij neemt het initiatief over. Het joch lijkt overigens weinig te mankeren, en is daar zelf verbaasd over. Nu het mijn zoon niet meer is, houd ik mij maar met zijn fiets bezig. Het is een mooie fiets. Er zit een slag in het achterwiel.
‘Ik heb geluk gehad zeg!’ zegt de jongen. Hij kijkt alsof hij een prijs heeft gewonnen op de kermis.

De bestuurder van de Audi komt aanzetten met een visitekaartje en zijn verzekeringsgegevens. Ik geef mijn naam, als getuige. Ik vind niet dat de bestuurder Tonio hoeft te lezen als straf. Hij moet bedolven worden onder twee oplages Tonio.

Mij moet men verplichten een handleiding EHBO in te spreken voor blinden.

Dit bericht verscheen eerder op Torpedo Magazine

maandag 30 januari 2012

WILD gaat voor de Libris

Mooi nieuws. WILD staat op de Longlist van de Libris Literatuurprijs, samen met de romans van AFTh van der Heijden, Herman Koch, Jan van Mersbergen, Stephan Enter, Henk van Straten, Anna Enquist, Jeroen Brouwers, Vonne van der Meer, en anderen. Zie de site van de Libris.

U kunt aan de foto zien dat er een zware last op mij ligt. Maar ik zal niet bezwijken onder de druk. 12 maart wordt de shortlist bekendgemaakt. Grip van Stephan Enter en Tonio van AFTh lijken de topfavorieten.

vrijdag 27 januari 2012

Papiertje (of: hoe Apple u en mij bedondert)


Een vriendelijke oud-leerling met een halve studie in computertechnologie repareerde gisteren mijn Apple Powerbook. Die was namelijk stuk. Al heel lang. Ik heb ook allang een nieuwe. Maar de jongen had er schik in, toonde enige kennis van zaken, dus ik dacht ‘ach, laat die knul.’ Hij kwam, hij zag. ‘Ik heb een stukje papier nodig’ zei hij. Hij overwon. De operatie duurde drie minuten. Toen was mijn computer gemaakt. Met een stukje papier. 'Alle modellen uit 2007 hebben dit mankement' zei hij.

Vorig jaar ben ik met die computer naar de Apple Store gegaan. De hippe priester achter de toonbank keek naar het apparaat alsof het van de duivel bezeten was. ‘Tja,’ zei hij. Hij draaide het ding wat rond. Ik voelde me alsof ik bij Van Kunst tot Kitsch zat met een waardeloos prul van een gehate tante. Hij vertelde met een citroengezicht dat ik sowieso €200 kwijt was ‘als wij ernaar kijken.’ Ik schrok geweldig, al begreep ik het ook wel, zo’n man stond daar niet voor niets met mij mee te leven. Ik wilde de portefeuille al trekken. 

Gelukkig had ik het niet helemaal goed begrepen. Hij bedoelde, als ik het ding achterliet en iemand ging hem openschroeven, dan kostte mij dat €200. Hij noemde het entreekosten, of drempeltarief, iets dat klonk als een goede besteding van je geld. Als het ding niet te redden zou zijn, zouden ze hem meteen weer dichtnaaien en bleef het bij een kijkoperatie van €200. Als de duivel wel uitgedreven kon worden kwamen er natuurlijk extra kosten bij. ‘Natuurlijk’ zei ik. Het klonk heel redelijk. ‘Het kan oplopen tot €500.’ ‘Ja’ zei ik, ‘natuurlijk,’ niet geheel op de hoogte van de gangbare tarieven voor exorcisme.

Wij, de priester en ik, kwamen tot de conclusie dat ik misschien beter een nieuwe laptop kon kopen. Er was net een nieuw model uit, en ze vlogen over de toonbank. Hij had er nog één in de doos. Nieuw model, doos. Dat liet ik mij geen twee keer zeggen.
Ik kocht een nagelnieuwe MacBook Pro, in een mooie gladde doos met een handvat. Het oude stuk schroot nam ik onder de arm en knikkerde ik in de fietstas. Die kon nog wel als onderzetter dienst doen, voor hete ovenschotels.

Nu is-ie dus gemaakt. Voor nop. Met een papiertje. Daar draait-ie weer een paar jaar op. Over drie jaar moet er misschien een nieuw kabeltje in. Kosten €25. ‘Heb je ‘m daarvoor afgedankt en een nieuwe gekocht?’ lachte de jongen. ‘Haha’ zei ik. Voor een computer die weer werkt laat ik mij graag een beetje kleineren.

Apple maakte afgelopen kwartaal een winst van 10 miljard dollar. Apple verkoopt mooie spullen. Ze willen die spullen alleen liever niet repareren, ze willen ze alleen verkopen. Over twee jaar weten we wat er met de eerste generaties iPads loos is. Van de 50 miljoen gaan er, zeg, 10 miljoen stuk. Een jaar later weer 10 miljoen. Het is met een stukje duct-tape te repareren, maar dat zeggen ze niet bij Apple. Ze kijken moeilijk, noemen het ‘drempeltarief’ voor een reparatie, en verkopen je een nieuwe. 

maandag 23 januari 2012

Een ongeluk


Ik ging lopen in de richting van Voorschoten. Bij de Lammebrug zag ik dit: een dik mannetje op een fiets reed over zijn eigen hondje heen. Het hondje was aangelijnd, was geschrokken van een gans, sprong opzij en kwam onder het achterwiel. De man remde, denk ik, het achterwiel kwam los, de man viel. Dat is wat ik zag. Daar lagen ze, man, hond, en fiets. De gans stond in de berm te kijken. Verder was er niemand. Het tafereel was in mijn handen
De hond maakte een raar piepgeluid. Hij probeerde te gaan staan, maar het lukte niet goed. Ik bleef staan, in dubio of ik de dierenambulance of de mensenambulance moest bellen. Toen bedacht ik dat ik geen telefoon bij mij had. Eerst zette ik de fiets overeind. Je moet altijd met de eenvoudige taken beginnen, weet ik. De man kwam zelf al een eindje overeind. Ik hielp hem verder. Het hondje krabbelde met zijn poten over het asfalt. Ik zei: ‘heeft u pijn?' Er kleefden kleine steentjes aan zijn handpalmen. Hij zei dat het wel ging. De hond begon alweer een beetje te lopen. De man keek eerder verstoord dan bezorgd naar het dier. Hij pakte de hond op, nam hem in de armen. Het beest begon weer te piepen. Het mannetje keek mij nu met paniekogen aan, ogen die de oorlog kennen.
‘Ze weten niet dat ik hem op de fiets uitlaat. Mijn vrouw en dochter. Wat moet ik nu zeggen?’‘U moet met hem naar de dierenarts, hij kan interne bloedingen hebben,’ zei ik. Ik weet niks van dieren, noch van interne bloedingen, toch klonk het mijzelf aannemelijk in de oren. ‘Gak’ zei de gans. ‘Ksssst!’ siste ik. Het beest ging te water.‘Dank u,’ zei het mannetje. ‘Dat u even hielp. Dank u heel vriendelijk.’ Zonder de fiets op slot te zetten liep hij met het hondje in zijn armen de brug over – naar huis, denk ik. 
Ik vond het erg, vooral voor het mannetje, omdat hij thuis moest vertellen wat er gebeurd was. Thuis moeten vertellen wat er gebeurd is is zelden leuk. Met dieren identificeer ik mij moeilijker, misschien omdat ze nooit thuis iets hoeven te vertellen. Lang hield ik het niet vol, het erg vinden. Een kilometer of wat verderop vond ik het erger dat ik de duur van het oponthoud niet had geklokt, zodat ik mijn tijd op de 10 km niet meer zuiver kon bepalen, en ik dus voor niemendal aan het hardlopen was. Ik fantaseerde dat het mannetje mij zo dankbaar was dat hij mij zijn 18-jarige dochter aanbood. Beiden wilden van geen weigering weten. Op een goed moment wond dit mij zo op dat ik omkeerde en naar huis liep, met lange, stoere passen. Toen ik bij de brug kwam zag ik dat de fiets weg was.
Dit artikel verscheen eerder op Torpedo Magazine

Ruisend Zwart


Tegen de avond komen de kraaien. Ze komen uit het park en willen voor donker in de stad zijn. Dat vermoed ik tenminste. Dat zou ik willen. Zelfs als ik een kraai was. Ze strijken met z’n honderden neer op de takken van de grote esdoorn voor mijn huis. 
Tientallen andere schurken tegen elkaar aan op het dak van de overburen. Netjes op een rijtje. Misschien zitten ze ook op mijn nok, maar dat kan ik niet zien. Soms vliegt er een stel op, zonder zichtbare aanleiding, en dan gaan ze allemaal. Een geluid alsof er een tentdoek klappert. De hemel lijkt tegelijk te verduisteren en te bewegen. Het is een onheilspellende aanblik. Dan dalen ze weer en een seconde of wat later ziet het er precies zo uit als voor de korte vlucht. Zo gaat dat de hele tijd door. 
Het rare is, soms vliegt er één kraai op, en volgen er twee of drie, maar verder gebeurt er niets. Dat is de verkeerde kraai, denk ik, die drie sukkels hebben op de verkeerde kraai gewed. Ze zien hun vergissing snel in en nemen weer plaats, in de boom of op de nok van het dak. Ze doen alsof er niets is gebeurd. En dan, hup, daar gaan ze allemaal weer, de hemel zwaait met een zwarte banier, ik voel de wind in huis, en knip het is weer voorbij. 
’s Avonds vertelde ik dit aan een goede vriend in het café. Hij zei dat mensen dit kraaiengedrag ook vertonen. Ik vroeg er niet om, het ging mij om de observatie, maar hij ging er eens goed voor zitten, voor zijn analyse. ‘Het is een overlevingsstrategie,’ zei hij. ‘We gaan naar het strand als iedereen dat doet, we kijken de tv-programma’s die iedereen kijkt, we kopen cd’s die in de top 10 staan, kijken YouTube filmpjes die 30 miljoen keer bekeken zijn en we lezen Bonita Avenue omdat het een bestseller is’. ‘Dat is niet per se een slecht boek,’ zei ik. ‘Nee, maar goed of slecht dondert niet. En als het oorlog wordt rennen we allemaal de zee in.’ Ik hield wijselijk mijn mond over mijn nieuwjaarsduik. 
Hij ging verder. ‘Een take-off heet dat, een zichzelf versterkende reactie. Het is een term uit de nucleaire wetenschap die is overgenomen door de evolutiebiologen. Kijk man, wij lezen boeken die niemand leest. Wij zijn voor ADO Den Haag. Wij vliegen achter de verkeerde kraaien aan...’ Ik wilde zeggen: ik schrijf ook boeken die niemand leest, en ik ben eigenlijk voor Feyenoord – maar ik was bang dat hij daarmee zijn punt bevestigd zou zien. Bovendien was ik het niet met hem eens. Het liefst namelijk, het allerliefst, stijg ik op en vlieg ik mee in zo’n tornado van ruisend zwart.

vrijdag 30 december 2011

Closing Time

Als ik Closing Time van Tom Waits draai in deze tijd van het jaar, kruipt de weemoedigheid als een oud wijf tegen mij aan. Als het gaat om weemoed ben ik zelf een hunkerend kreng, dus zo’n kans laat ik niet lopen. ‘Never had no destination, could not get across...’ gromt hij in Grapefruit Moon. Rond sluitingstijd kan je niet meer vooruit denken. Je kijkt terug, en mijmert over je mislukkingen. Succes leent zich slecht voor reflectie. Succes is in beginsel oninteressant.

Dit jaar schreef ik 68 stukjes voor mijn weblog. Samen met de bijdragen aan Torpedo Magazine kom ik ruim over de 100 teksten die ik voor niemendal schreef. Over succes hoor je mij niet. Een leuke schnabbel bij een dag- of weekblad, of iets anders in klinkende munt, heeft het vooralsnog niet opgeleverd. Ik heb ook geen benul hoe je zoiets aanpakt. Een schrijver moet voortdurend zichtbaar zijn these days, roepen de profeten. Yeah right. Ik vind het wel even gescheten.

In januari van dit jaar schreef ik het laatste hoofdstuk van Wild. Daarna schreef ik nauwelijks nog iets anders dan die 100 stukkies. Het met afstand best gelezen artikel is ‘Wat je kan doen op de Veluwe’ (3.500 views) – niet bezocht, vermoed ik, door fans van Wild die interesse hebben in mijn research, maar door argeloze Henk en Ingrids die een stacaravan type 6MH-2 hebben gehuurd op Landal-park Voorthuizen. Rond oudjaar is het stuk ‘het afsteken van astronauten’ populair – ik vermoed onder runderen- en ook ‘Tuigdorp Telegraaf’ trekt nog dagelijks Telegraaflezers die verkeerd verbonden zijn. Ik heb overwogen een reeks sonnetten te publiceren onder de titel ‘Sonja Bakker Nude Sexy Bitch’. Maar nee, ik wil geen dingen meer doen ‘gewoon omdat het kan’, zoals ik bepaalde cynische types vaak hoor zeggen.... (eh, heeft u de link aangeklikt?).

Het is allemaal wel leuk, dat schrijven voor de verkeerde mensen, maar mijn werk lijdt eronder. Met ‘werk’ bedoel ik niet mijn inkomsten uit regelmatige arbeid, maar datgene wat ik het liefste doe: verdwijnen in mijn verhalen, knoeien met taal, met stokken op gedeukte ketels slaan en proberen de sterren tot tranen toe te roeren, zoals Flaubert het ongeveer zei. Hard falen, verder prutsen, hopen dat er dan een levende ziel is die het mooi vindt. Dat dus. Niet bedelen om aandacht, niet stug en met de kiezen op elkaar geklemd menen recht te hebben op de erkenning van hen die er toe lijken te doen in het spiegelpaleis der Letteren.

Het is genoeg geweest, voor een mooi poosje. Closing time. Het stemt mij passend weemoedig, maar het schenkt mij ook de illusie dat ik een daad stel, zo tegen sluitingstijd. Wij zijn voorlopig even dicht. Daarna zien we wel.

zaterdag 24 december 2011

Glazen Huis #6 - ik verkondig u grote blijdschap

Vandaag hadden ze me serieus bij de kladden, die 3FM jongens. Vroeg in de avond stond ik met Emma op mijn nek naar onze gladiatoren achter het glas te loeren.  ‘Ik zie Gerard’ riep mijn dochter van boven, ‘hij heeft een camera op zijn schouder!’ ‘Dat is de cameraman’ zei ik, mij afvragend of zo’n camera op je nek misschien zwaarder was dan een meisje van zeven. ‘Gerard is moeilijk te zien’ verdedigde zij zichzelf, ‘want hij is de kleinste.’ Daarna wandelden we naar de Lammermarkt, waar wij korte tijd keken naar het optreden van Di-rect – een bandje dat onder normale omstandigheden niet hoeft te rekenen op enig enthousiasme van mijn kant. En dan zeg ik het netjes. Maar nu, ach, nu... het donderde niet. Bedrieg me, dacht ik, roer mij tot tranen, laat me weer geloven dat mijn stad en mijn land het waard zijn om nog even niet door de zee te worden opgevreten – het is zo lang geleden dat ik het kon geloven.

Ik ben deze week al zo vaak fijn en knusjes opgelicht (cupcakes die toch weer niet zelf gebakken bleken, dat werk) dat ik best wil geloven dat het mogelijk is om in een paar uur van 5 komma nog wat tot 8,6 miljoen door te groeien, terwijl we na dag 1 al blij waren met twee ton. God mag weten hoeveel spindoctors er achter de schermen bezig zijn geweest om ervoor te zorgen dat er een scenario lag waarbij wij op het allerlaatste moment met zijn allen nog eens de portemonnee zouden trekken – uit angst een mislukking van minder dan 7 miljoen te moeten accepteren. Alle mystificaties en smooth & cunning plans ten spijt was ik diep ontroerd toen Coen, Timur, en die kleine naar buiten kwamen, ik proefde de lucht die zij proefden, ik voelde de honger die zij voelden. Ik kneep mijn handen tot vuisten toen zij op de grote rode knop drukten die het bedrag zou onthullen. Ik vreesde met grote vreze. En de engel sprak ‘Wees niet bevreesd, want zie ik verkondig u grote blijdschap die heel het volk ten deel zal vallen’ Lucas 2 gedeeld door 11. En het geschiedde. Acht miljoen zeshonderdduizend. Het is Kerst, een ouderwetse, want ik heb geweend en ik ben blij. 

Glazen Huis (#7 slot): Borden


Ten slotte is er nog iets dat ik kwijt wil. Een kwestie die mij de hele week al bezighoudt. Ja, heus niet de hele tijd, maar toch - eh, vaak. Is er misschien iemand die weet hoe iedereen toch aan die mooie borden komt? Ik bedoel, ik heb deze week honderden van die bedrukte borden langs zien komen met het gedoneerde bedrag erop. In alle kleuren, van alle materialen vervaardigd, maar altijd strak en stevig, duidelijk bedrukt met logo’s van het bedrijf, school of weet ik veel, en op een of andere manier getuigend van groot organisatietalent. Maar waar komen die borden vandaan? Wie maakt ze? Zelf kwam ik met een lullig geplastificeerd A3’tje aanzetten, ‘Rijnlands Lyceum Open Podium €1800’, inderhaast in elkaar geflanst. Maar ja, dat ben ik. Ik wil ook borden kunnen maken. Wie helpt me? Nederland bordenland, mijn bewondering is groot.

O ja, ik heb €125 gedoneerd aan Serious Request: €0,10 voor iedere klik op een Glazen Huis blogbericht. Dit is gedaan in de verwachting dat u nog wel even doorklikt...

trailer "Een Onbarmhartig Pad"