vrijdag 3 december 2010

Héérlijke mensen

Ik heb fijne overburen. Heerlijke mensen. Daarmee bedoel ik niet dat ze op afroep voor mij klaarstaan met koffie en startkabels als mijn vermolmde motorfiets niet wil lopen, dat we al jaren samen probleemloos een abonnement hebben op de Viva en de AutoWeek, elkaar heggenscharen en stopverf uitlenen, gezellig met elkaar eten, drinken en vreemdgaan zonder dat iemand daar problemen over maakt, dat mijn kinderen ‘oom’ en ‘tante’ tegen ze zeggen, zelfs niet dat overbuurman traditioneel op de voordeur beukt op pakjesavond om de zak te brengen (en ik bij hem). Niets van dat alles. Ik heb gewoon fijne overburen om naar te kijken. Ze steken goed bij mij af. Anders niet.

In de zomer speelt hun gezinsleven zich op het trottoir af, vijf meter van mijn venster. Hun achtertuin ligt namelijk op het westen, geen straaltje zon komt daar ooit in, een paradijs voor naaktslakken en pissebedden. Maar daar hoor je ze nooit over klagen, zo zijn ze niet, ze vinden het heerlijk, zo met hun hebben en houden op de stoep. “Echt een mediterraan gevoel.” Wit wijntje erbij, kinderen zoet aan het stoepkrijten, nooit valt er een onvertogen woord. Een magnifiek gezicht. Ik heb de tv naar zolder gedaan.

In hun woonkamer – duidelijk zichtbaar vanaf de straat – hangt een reproductie van Picasso’s Guernica. Dat vertelt ons: hier wonen geen mensen die gewoontjes van kunst houden, hier wonen mensen die van Kunst houden en zich Het Wereldleed aantrekken. Soms huilen ze er om. Niet lang, precies genoeg. Maar dat beeld ik mij misschien in. Bij mij hing ook lange tijd een Picasso boven de bank. Ik had het zelf vervalst. Het werk was getiteld Joie de vivre en er was een narrige geit met een erectie en een naakte vrouw met reusachtige blauwe borsten op afgebeeld. Ik heb het weggehaald. Nu hangt er een foto van een vreugdeloos grijnzende orang-oetan.

In hun vensterbank staan vier identieke retro-stormlampen, echt heel geestig en smaakvol, tussen de lampen in trouwfoto’s van de wederzijdse ouders. Ze hebben geen aparte, nimmer overlappende bezoektijden voor hen, integendeel, die ouderparen kunnen uitstekend met elkaar opschieten. Ik kan het allemaal het goed zien vanachter mijn vleesetende plant.

De overbuurvrouw is mooi, dat spreekt vanzelf. Als ze vroeger bij mij in de klas gezeten zou hebben, dan zou ik, dan zou ik... dan zou ik weer eens helemaal niets. Nu is ze zo vlekkeloos, onbezoedeld, moeder en maagd. Haar frisse en nog lang niet grijze of kale man is advocaat. In de zomer staat zijn sportwagen uit 1970 voor de deur, in een kunststof beschermhoes. Soms valt hun kindje ertegenaan, dan kust hij het voorhoofd, maakt er meteen een lief spelletje van, iets met kiekeboe, niet dat brute kleuterwerpen dat wij vroeger deden. De overburen spreken elkaar koddig aan met mama en papa als de kinderen erbij zijn, en ik denk over tien jaar ook waar de kinderen niet bij zijn. Ze zijn ook nooit wantjes, mutsjes, sjaaltjes, laarsjes en regenjasjes kwijt, en waren ze het toch, dan zouden zij niet gaan schreeuwen en van hartstikke kwaadheid alles overhoop smijten. Ze hebben geen NEE-NEE sticker, want dat vinden ze zo zuur en ongastvrij staan. Ik heb wel eens met de gedachte gespeeld een gruizig seksboekje door hun JA-JA brievenbus te gooien, maar komaan, er zijn grenzen.

Wat ook zo heerlijk is – en dan houd ik er mee op – dat ze zo lichtvaardig met etenstijden en bedtijden omgaan. Zij laten zich niet knechten door welk dagritme dan ook, nee, de dag beweegt soepel met hen mee, op die cruciale momenten waarop ik er altijd achteraan loop te harken. Zaterdagochtend, o zoete zaligheid, dan stijgen zij boven zichzelf uit. Het is nóg fijner, warmer en knusser, in pyjama eten de kindjes hun ontbijt dat tot de laatste gezonde vezel wordt vermalen. Pap en mam drinken koffie in zakkerige sportkleding die hen geweldig staat. Zaterdag, godlof, dan wordt mij een etmaal lang gegund toe te zien hoe het leven geleefd dient te worden. Daar zit ik, zuchtjes van bewondering slakend achter de verwarming, met een kopje azijnthee schuilend achter het troebele water van de kom met dode vissen. Heerlijke mensen.


1 opmerking:

Gerwin in DWDD 28 januari 2010